102 Havana: steevast aangrijpend

(14.03 uur, de koffer al weer gepakt. Maar niet voor werkgerelateerde zaken. Morgen ga ik op vakantie!)

Inmiddels ben ik al halverwege met het eerste seizoen van Homeland. De baard blijkt een van de hoofdrolspelers. Wat is de serie toch verdraaid spannend. Ik zit op het puntje van m’n bank. Vooruit, nog één aflevering dan.

Havana. M’n laatste werktrip voor de vakantie. Telkens denk ik dat er ooit toch wel eens een moment moet komen dat ik zat ben van dat op-en-neer gereis. Het tegendeel is waar, ik lijk juist steeds meer in m’n element te komen.

Gedurende de laatste paar uur van de vlucht gaat het flink tekeer, vanwege tropische stormen in de buurt van Miami. En laat dat nu juist het moment dat wij de passagiers de warme middagsnack voor de landing serveren. Met alle trolleys gereed voor een laatste ronde was de timing dan ook ronduit ongelukkig te noemen. Turbulentie merk je achterin het vliegtuig het meest. En het ging hard. Zo had ik het in tijden niet meer meegemaakt. Driftig zwiepte het vliegtuig met zijn staart in de onstabiele atmosfeer. Ik zet me schrap tegen een schot met mijn voeten, terwijl ik met een arm een trolley omklem, zodat ie niet omvalt. Ik zie een collega letterlijk voorbij vliegen, in een poging om nog een pot koffie in veiligheid te brengen. Er is een passagier met gevaar voor eigen leven opgestaan, vermoedelijk voor een toiletbezoek. Iets wat op dit moment echt onverantwoord is. Vanuit onze eigen hachelijke positie manen we haar tot zitten, in het belang van eenieders veiligheid.

Als we in rustiger vaarwater belanden is het tijd om de schade te inventariseren en te herstellen. Vliegtuigen zijn gemaakt voor dit soort weersomstandigheden. Mensen niet. Dus voorzien we de passagiers rijkelijk van spuugzakjes, opdweildoekjes, geruststellende woorden en bekertjes water.

Als we voet op Cubaanse bodem zetten, hebben we er een werkdag van ruim twaalf uur opzitten. De turbulentie heeft zichtbaar zijn sporen achtergelaten, ook bij de bemanning. Terwijl de een nog na boert van de misselijkheid, poetsen anderen zo goed mogelijk de vlekken van hun pak: de purser kreeg een douche van vier glazen tomatensap, ik van een pak melk.

In Havana is het zes uur eerder. Dus nog lang geen bedtijd. Toch gaan slapen zal onvermijdelijk leiden tot ontwaken in het holst van de nacht, dus wordt de dag met lichte tegenzin nog een paar uur langer doorgetrokken. Vechtend tegen de gaap en met brandende oogjes installeren we ons bij een lokaal barretje met livemuziek voor een koele versnapering. De vermoeidheid brengt me in een lome roes. De klanken van de salsa en de temperatuur creëren een broeierige atmosfeer. Niet per se onaangenaam. Toch wint uiteindelijk de moeheid. Ik kán niet meer. Dankbaar stort ik me in het hotelbed. Met prikkende vering. En de kamer te warm. Maar het maakt niet uit. Ik slaap op de grond als het moet. Als een blok graniet, tot de volgende ochtend.

Een ritje door de stad gaat natuurlijk het fijnst al cruisend in een oude Ford Thunderbird cabriolet. Deze witte roestige slee huren we voor een paar uur, compleet met gids. Ik kom op bekende en onbekende plaatsen. Het Capitolio blijft fijn om te fotograferen. Evenals de gekleurde oldtimers en de vervallen koloniale gebouwen. Ook nu val ik weer van de ene verbazing in de andere. Mijn enthousiasme voor deze stad houdt onverminderd stand.

Tijdens de rit vertelt onze taxichauffeur zijn persoonlijke verhaal. Eigenlijk is hij flight engineer, hij heeft hiervoor een hoge opleiding genoten. Het salaris dat de staat aan een vliegtuigmonteur betaalt, is met 50 CUC (ongeveer 40 Euro) per maand stukken hoger dan de 25 CUC die een gemiddelde Cubaan verdient. Echter, met zijn huidige baan als toeristengids heeft hij meer vrijheid en verdient hij in een week (!) al het bedrag, wat hij anders na een maand pas zou kunnen bijschrijven. Niet te geloven.

Verbeeld ik het me, of lijkt Havana veranderd? Rijden er nu minder oude auto’s en meer moderne? Waren die touringcars er de vorige keer ook al? En zo’n buslading aan toeristen, dat kan ik me niet herinneren. Of kijk ik er bij een tweede bezoek gewoon anders tegenaan? Goed mogelijk.

Dat is juist ook misschien het boeiende van een baan als deze. Omdat je ergens meerdere malen komt, soms met lange tussenpozen, kun je een stad of land zien veranderen. En dan was het dit keer nog maar een half jaar geleden. Er zijn collega’s die al ruim twintig of dertig jaar vliegen en gebieden hebben zien transformeren van een primitief dorp naar een urbane metropool. “Tsss, tien jaar geleden betaalde je hier nog 1 CUC voor, nu is de prijs vertienvoudigd!” De wereld draait door, ondanks dat de tijd soms stil lijkt te staan.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Lees ook het verhaal dat ik over mijn eerste bezoek aan Cuba schreef: 086 Onvoltooid verleden tijd

-oOo-

En nu vakantie! Een reis-stop? Zeker niet. Vrijdagnacht vlieg ik naar Cappadocië, Turkije. Het staat bekend om zijn grillig geërodeerde vulkaanlandschap en ongerepte natuur. Ik verheug me enorm. Een week écht weg. Met familie. Bewust internet-, telefoon- en tvloos. De rust. Het niets hoeven. Da’s pas vakantie.

101 Sprookjes bestaan nog

(19.30 uur, vanuit mijn Haarlemse hoofdkwartier, na twee dagen op adem hebben kunnen komen van mijn Israëlische avontuur,  reis ik morgen af naar Havana, Cuba)

Op de crew informatie staat naast vijfendertig speciale Koosjere maaltijden, ook nog een andere opmerking vermeld: “Vermijd openbare ruimten als markten en trein- en busstations. Het is voor crew verboden om de stad te verlaten of om met het openbaar vervoer te reizen”. Ai. Ik weet dat dit bedoeld is vanuit veiligheidsoverwegingen. Toch voelt het niet echt prettig. Natuurlijk lees en hoor je veel over het Arabisch-Israëlische conflict in de media. Maar vanuit het veilige Nederland is dat altijd een ver-van-je-bed show. Echter, zou het nu tijdens mijn eerste vlucht naar het Midden-Oosten iets dichterbij komen?

Nee hoor. Niets van dat alles. Tel Aviv heeft op mij de indruk achtergelaten een idyllische kunstzinnige stad te zijn, met vriendelijke mensen, kleurrijke bloemenpracht en een gemoedelijke sfeer. Geen enkel moment heb ik mij onveilig gevoeld.

Voor vertrek had ik hier en daar al wat tips ingewonnen over interessante bezienswaardigheden. Daarbij kwam telkens Jaffa naar voren. Ik kende die naam louter van de sinaasappels, dus na een korte hotelnacht en ontbijt werd dat mijn eerste wandeldoel in Tel Aviv.

Een aangename temperatuur, zonnig warm, met een fijne koele bries vanaf zee. Via het rotsachtige strand kom ik bij het oude stadsgedeelte terecht. Een doolhof van kleine straatjes strekt zich voor me uit. Ik begin zomaar wat links en rechts rond te dwalen. Onderweg stuit ik op een fontein met sculpturen van fantasiewezens en een zwevende sinaasappelboom. Ja echt. Met staalkabels is hij aan de omliggende gevels vastgemaakt. Bijzonder. Maar er is meer. Want Jaffa blijkt een sprookje.

Het is een walhalla voor iedereen die van galerieën, kunstwinkels en tweedehands bric-a-brac boetiekjes houdt. Je kunt het zo gek niet bedenken. Retro televisietoestellen, oude koelkasten, schilderdoeken, houtsnijwerk, grammofoonplaten, vintage jurken, artistieke sieraden, samen gecombineerd tot ware kunstwerkjes verheven. Het is iets waar ik geen genoeg van kan krijgen; dus stap ik binnen bij het Ilana Goor Museum. Tevens het huis van de kunstenares zelf, van oorsprong een toevluchtsoord voor Joodse Pelgrims, dat zij in oorspronkelijke staat heeft gerestaureerd en nog steeds bewoont. Ilana leeft letterlijk met kunst. Haar motto ‘oud met nieuw’ komt duidelijk terug in de materialen die ze gebruikt. Veel hout, leer, stof, metaal, glas… Het huis is tot de nok toe gevuld met (functionele) kunstvoorwerpen. Kunst tot aan de deurklink aan toe.

Ik vervolg mijn ontdekkingstocht door de stad. Als ik een steegje wil inslaan waar gezellige bedrijvigheid lijkt te zijn, word ik tegengehouden door een man met een oortje. Om zijn nek bungelt een pasje aan een keycord, met daarop in grote letters: CREW. Mensen met megafoons lopen af en aan, anderen schenken plastic bekertjes water. Karretjes met verrijdbare cameraopstellingen komen voorbij. Ik blijk midden in een filmopname voor de Amerikaanse televisieserie ‘Homeland’ te zijn beland. Figuranten met verschillende attributen staan achter een muurtje verdekt opgesteld totdat ze ‘toevallig’ het beeld in mogen lopen. Een acteur met hoed en baard zit op een hoge kruk en oefent zachtjes mompelend zijn tekst. Langs zijn slapen parelt zweet. Ik vraag me af of hij een slechterik speelt of de held. In deze scène wordt het tafereel van een traditionele kruidenmarkt verbeeld. Op straat staan pannetjes gloeiende kolen te roken voor het creëren van een mystieke sfeer. Ik word gesommeerd om in de hoek te wachten. Ik kan nog net zien hoe de acteur door het steegje beent, met daar achteraan een horde camera- en geluidsmensen. Geboeid blijf ik staan kijken naar wat er allemaal om me heen gebeurt. Het opname is kort, maar toch nog niet helemaal naar de zin van de regisseur. Met een dik Amerikaans accent roept hij: “Let’s do that again, only this time I want less crowd in the backgound.” Ik neem me voor thuis meteen de serie te gaan kijken.

Tel Aviv is echt een bankjesstad. Overal zijn er op strategische plaatsen deze houten rustplaatsen gecreëerd. De mensen maken er dankbaar gebruik van, zowel toeristen als locals. Aan de boulevard,  uitwaaien aan zee. In het park, onder een boom in de schaduw rustig een boek lezen. In de haven, om naar de visssersboten te kijken. Op het plein, om voorbijgangers te spotten terwijl je je ijsje opsnoept. Bij de naastgelegen salon serveren ze de gekste smaken; waaronder halva-ijs. (een lekkernij op basis van sesamzaad, honing en suiker). Natuurlijk strijk ik ook even neer om mijn voeten even rust te gunnen. Eerst zitten we zwijgend naast elkaar, de oude dame en ik. Totdat er een blik van verstandhouding wordt gewisseld. Het luidt het begin in van een ontspannen gesprek over Europa, het klimaat en haar Indiase geboortestad Bombay.

Ik raak niet uitgefotografeerd. En ik ben niet de enige. Op mijn route tref ik regelmatig Joodse bruidsparen die de oude stad ook als decor gebruiken voor een fotoreportage. Op een plein zie ik een professional aan het werk. De bruid poseert voor de camera, prachtig opgemaakt en in sereen wit gekleed. Een wondermooi portret, waar ik maar wat graag een graantje van mee pik. Alle lof is uiteraard voor de Israëlische fotograaf die al het voorwerk (bepaling van het licht, de achtergrond, etc.) voor mij al had gedaan, ik hoefde alleen nog maar af te drukken met mijn eigen G12…*

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Wat een stad. Met stip hoog binnen in mijn persoonlijke bestemmingen toptien.

-oOo-

De koffer voor Cuba is al weer gepakt. Maar zo dadelijk eerst nog even lekker ontspannen op de bank met een aflevering van Homeland. Benieuwd of ik de baardmans met de hoed nog zie.

*G12 staat voor mijn Canon Powershot G12 camera, die mij sinds een half jaar vergezelt op mijn reizen.

100 Honderd

(22.15 uur, genietend van mijn vrije dagen in Haarlem, met muziek, boeken en fijn gezelschap)

Het voelt officieel als ik in de onderwerpregel van dit bericht het nummer intyp.

Honderd.

Oef, da’s een heleboel. Een getal waar men bij stil staat. Daarom ook het woord in de titel van dit bericht.

-oOo-

Dacht ik naar Dubai al met een grote bemanning (vijftien leden) op pad te zijn, de vlucht naar Accra sloeg werkelijk alles. Een dubbel aantal collega’s meldde zich aan. De ene helft zou de heenvlucht voor haar rekening nemen, de andere helft de terugvlucht. Als de winterschema’s overgaan in die van de zomer, vindt er soms een vliegtuigtypewissel plaats op een bestemming. Dat betekent dus dat er twee volledige bemanningen nodig zijn, aangezien we niet voor alle types gekwalificeerd en getraind zijn.

Passagiers kijken verbaasd op als we ons naar het toestel begeven. Een colonne van gekleurde uniformen, in een lange sliert achter elkaar paraderend. Gonzend. Rollend. Klikklakkend. Vierentwintig personen sterk. Een ware monstercrew.

Ook bij aankomst in Ghana was het een drukte van jewelste, want de normale crewbus was immers niet berekend op zo veel mensen en koffers. Je kunt je voorstellen dat dit tot kluchtige dubbelgevouwen situaties leidde. Proppen, ja hoor, het past net … niet. Een aantal mensen moest apart een taxi nemen om naar het hotel te komen.

Na de heenweg gewerkt te hebben, mocht ik op de terugweg ‘zittend’ naar huis, als passagier. Terwijl ik de stoel comfortabel naar achteren zet, kruip ik in mijn mummieslaapzak. Koptelefoon op en filmpje aan. Op het videoschermpje klimt Tom Cruise zwetend tegen de Burj Khalifa op. Déjà vu! Wanneer was ik daar ook al weer? Vorige week? De geografische jetlag doet zijn intrede. Niet zo gek, als je ook van oost, naar zuid, naar west vliegt.

Heerlijk om eens incognito aan boord te zijn. Niemand die je wat vraagt. “Mevrouw, waar zijn de toiletten?” “Mag ik nog een kopje koffie?” “Mijn baby heeft gespuugd.” “Heeft u oordopjes?” “De film start niet.”  “Die mijnheer snurkt zo luid.” “Hoe zit het met mijn overstap?” “Ik lust geen vis.” “Aan welke gate vertrekt de vlucht naar Moskou?” Niets van dat alles. De vliegtijd is dit maal gevuld met de stunts van Ethan Hunt en een onrustige doezelslaap.

-ooOoo-

Na Accra stond er ‘een Curaçao’ op m’n indeling. Niet meer in de luxe van het passagier-zijn, maar gewoon weer werkende. Tijdens het opstijgen zit ik op een klapstoel die me uitzicht geeft op de machtige vleugels van de vliegende kolos waarin we ons bevinden. Wat is het ook een knap staaltje techniek, om zoveel tonnen gewicht de lucht in te stuwen. Ik heb er nog elke vlucht ontzag voor als ik de vleugels zie omkrullen als we vaart maken over de startbaan. Hoe de wereld krimpt als we hoger en hoger stijgen. Het blijft fascineren.

Uitstappen op Hato Airport brengt een vreemd gevoel van thuiskomen teweeg. Vertrouwd. Warm. Kleurrijk. Gezellig met collega’s. Maar ook lekker tijd voor mijzelf. Ik maak graag een uitstapje naar de onderwaterwereld. Het zachte tikken van het koraal, de harmonie waarin de diversiteit aan vreemdsoortige onderwaterwezens samenleeft. Een gesmoorde kreet in mijn snorkelpijp als ik een zeeslang over de bodem zie glijden. En ‘s avonds, de zonsondergang op het strand, tussen de olielampen in het zand. De lucht beschilderd met vlammende penseelstreken. Onbeschrijfelijk mooi.

Bij terugkomst ben ik lichtelijk geveld door een verkoudheidje. Mijn dagen vrij staan voornamelijk in het teken van rust en ritme herpakken. Vrijdag heen-en-weertje Barcelona. Na het weekend: Tel Aviv.

Ik ben nog láng niet uitontdekt.

099 Eenzame hoogte

(23.42 uur, op het traject Delft – Haarlem, na een fijne dag met familie en dierbaren)

De hoge toren zie je misschien wel van heinde en ver, maar probeer dan nog maar eens de ingang ervan te vinden tussen al die bouwwerken. Met een groepje van vijf collega’s dwalen we in cirkeltjes door de gangen van de enorme Mall. Dure merken schitteren ons tegemoet. De glanzende vloeren worden continu schoongehouden, er ligt geen enkel papiersnippertje.

Onderweg treffen we de gekste dingen. Een plafond waaruit honderden guirlandes met witte vlinders naar beneden dwarrelen, zacht wiegend in de koude stroom voortgebracht door loeiende airco’s. Een gigantisch diepzee aquarium, met haaien, roggen en tropische vissen: gewoon temidden van de winkels. Meerdere duikers dobberen rond. De camera’s van de toeristen flitsen. Omhoogkijkend ontdekken we een sterrenhemel van LEDlampjes. In Dubai is niets te gek.

Voor dat we de toren op gaan nuttigen we een lunch in de Foodcourt van het winkelcentrum. Werkelijk alle keukens van de wereld zijn hier vertegenwoordigd in een take-away versie. Van Thais tot Texmex, van Indiaas tot Junkfood.

Aan het tafeltje tegenover ons zit een echtpaar. De man heeft een snor en gaat gekleed een smetteloos wit gesteven pak (hoe blijft dat toch zo?). Hij draagt een opvallend horloge en glimmende manchetknopen. De sjaal met het rode blokkenpatroon is kunstig om zijn hoofd gedrapeerd, Arafat stijl.

Het is in sterk contrast met de vrouw. Zij is geheel gehuld in een gitzwarte niqaab, de fastfoodfrietjes schuift ze onder haar gezichtsbedekkende sluier door, zonder iets prijs te geven. Het kind jammert, hij heeft liever rijst, dat hem na enkele jengelminuten uiteindelijk ook wordt voorgeschoteld. Voldaan roert hij met zijn handjes door de berg witte korrels.

De toegangstickets voor de Burj Khalifa zijn al dagen tevoren uitverkocht. We hadden mazzel dat de gezagvoerder voor vertrek er al een aantal online had gereserveerd. Met zijn 828 meter tellende lengte is de Burj het hoogste gebouw ter wereld. Daar zijn de Arabieren maar wat trots op. Vele filmpjes op weg naar de top tonen de noeste arbeiders, projectontwikkelaars en ontwerpers die er aan meewerkten.

Als sardientjes zoemen we opeengepakt in een lift door naar de 143e verdieping. Niet helemaal bovenin, maar wat geeft het. Ook nu rijzen we al ver boven van de rest van de omgeving uit. Het uitzicht is indrukwekkend en vervreemdend tegelijkertijd. Industriële hoogstandjes in een stoffig landschap. Het lijkt niet bij elkaar te passen. Er is veel leegstand, de verlaten gebouwen staan er troosteloos bij. Ondertussen worden er nog allerlei bouwprojecten de grond uit gestampt. Hotels en wolkenkrabbers met spiegelende ramen klimmen hoog de hemel in. Het zicht in de verte wordt vertroebeld door een waas van stuifzand en trillend hete lucht.

De atmosfeer is heet en droog. De lapjes groen doen kunstmatig aan. Elk grassprietje hier bestaat bij gratie van een persoonlijke irrigatiesproeier.

Is het mijn wereld? Ik geloof het toch niet. Wel bijzonder om het eens van dichtbij … eh … bovenaf te hebben gezien.

-oOo-

Morgen naar Accra, Ghana, Afrika. Ik reis vrolijk verder en blijf benieuwd.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

098 Indiase plaatjes

(18.10 uur, vanuit Haarlem, waar het hard waait en de regen regelmatig flink naar beneden klettert)

De tweede keer India deze maand. Ik blijf fan.

Deze foto’s hebben geen tekst nodig. Zij vertellen hun eigen verhaal.

-oOo-

Ik ga nu gauw aan de slag met mijn Dubai-blog, ook vandaag of morgen hier online te lezen.

097 Hollandse meesters in Canada

(17.15 uur, ondertussen weer aardig hersteld van mijn trans-Atlantisch Canadese vermoeidheid, gereed om de komende dagen weer uit te vliegen naar Europese bestemmingen)

Zes uur tijdsverschil tussen Montréal en Amsterdam. Als we geland zijn op Pierre Elliott Trudeau International Airport is er op de klok effectief nog maar een half uur verstreken sinds vertrek. Gek idee. En waarom de afkorting YUL staat voor Montréal is voor mij ook een raadsel. AMS voor Amsterdam snap ik, CDG voor Parijs – Charles de Gaulle ook, maar YUL? Omdat ik al de gehele vlucht mij wat ‘under the weather’ voel, duik ik ondanks dat het nog maar middag is toch meteen mijn hotelbed in. Slaap is het beste medicijn voor alles.

En inderdaad, de dag erna voel ik me weer zo kwiek als een hoentje. Na een Hollandse nacht welteverstaan. Want hier in Montréal, Québec is het nog maar vijf uur ‘s nachts. Rustig wakker worden, wat lezen en aanrommelen. Als ik naar buiten stap ben ik een van de eersten. Er is werkelijk waar nog geen (paas)kip op de weg. De grote brede straten zijn uitgestorven. Ik zuig mijn lijf vol met verse ochtendlucht. Het fijne ‘Chez Cora’ ontbijtzaakje een paar straten verderop gaat open om zeven uur. Als de deuren zich openen schuif ik aan in een verder nog leeg restaurant. Heerlijk, wat een rust. Het fruitsap en de grote bak granola smaken me goed. De hele dag ligt nog voor me.

Ik besluit tot een wandeling richting Mount Royal. De grote heuvel midden in de stad, waarvandaan je een prachtig uitzicht moet hebben over de stad. Al gauw merk ik dat ik toch niet de enige vroege vogel ben. Onderweg tref ik groepen joggers en hondenuitlaters. Felgekleurde trainingsbroeken en glanzende hardloopshirts tussen de grauwe bomen van het park. De winter heeft nog maar pas zijn uittrede gedaan. Het is af en toe nog best guur. Er ligt her en der een verdwaalde sneeuwhoop. Eekhoorntjes trippelen door de dorre bladeren op zoek naar voedsel. Een specht ratelt tegen een holle stronk. Ik loop mezelf warm. Klim naar de top, pontificaal gesierd  door een groot gietijzeren kruis. Geniet van het uitzicht en huppel na anderhalf uur weer de tientallen trappen en paadjes naar beneden.

Het is pas half tien. Ik schuif nog even aan bij het ontbijt in het hotel, waar ik mijn collega’s tref. Samen drinken we een kop koffie. Waarna ik me aansluit bij een klein groepje die een mooie expositie in de buurt gaat bezoeken. Musée des beaux-arts de Montréal. Een enorm complex met tig verschillende zalen. Van beelden tot schilderijen, van Middeleeuws tot Modern. Maar wat zie ik daar? Die kerk komt mij wel heel bekend voor.

Ik kijk dichterbij. En inderdaad, het is de Sint Bavo. Want het bijschrift leert: ‘Champs de blanchiment près de Haarlem – vers 1670, Jacob van Ruisdael’. En daar, wacht, is dat niet … Jep, Rembrandt. Zijn licht en techniek zijn kenmerkend. Ondanks die 5500 km voelt Nederland even heel dichtbij.

Na een aantal uren ronddwalen hebben we nog niet alles gezien (maar al wel een van de gouden tronen en de karakteristieke hoed van Napoleon). De rest bewaar ik voor een volgende keer. Net zoals Vieux-Montréal. Wat een interessante stad. Er is zo veel te doen. Ik loop nog even door de gezellige Crescent Street – of is het Rue Crescent, met zijn vele barren en boetiekjes – alles gaat hier in twee talen. Het Frans voorop. Ik haal nog even gauw een portie take-away Thais. Om daar weer het bekende riedeltje te volgen. Voorslapen, de nacht door, de Atlantische Oceaan over, terug naar huis.

-oOo-

Morgen en overmorgen even kort terug op Europese bodem, na een groot aantal verre trips achter elkaar. Met retourtjes Manchester en Göteborg. Om maandag weer naar Delhi af te reizen. Ik kan me nu al weer verheugen op dat heerlijke eten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

096 Helden van dichtbij

(23.15 uur, vanuit mijn Haarlemse Hoofdkwartier, ik sta op het punt om naar bed te gaan, even een goede nacht trachten te maken, want morgen vlieg ik weer uit)

Afgelopen weekend zette ik voor de tweede maal voet op Indiase bodem. Voor de tweede maal, maar zeker niet minder aangrijpend en bijzonder. Nog in Atlanta ontving ik al een mail van een mede Delhi collega. Zij liep met het plan rond om een vroege fietstocht door het oude ommuurde centrum te gaan maken, en vroeg zich af of er nog andere gegadigden onder de crew waren. Aangezien ik immer te porren ben voor een leuke activiteit, sloot ik me aan bij de club van de ochtendfietsers.

En zo geschiedde. Na een acht uur durende vlucht – één uur ‘s nachts lokale Delhi tijd – namen we onze hotelkamerpasjes in ontvangst. Om na slechts een paar korte uren slaap al weer met kleine oogjes op de fiets te stappen. Vroeg, want dan was het nog niet zo warm. Vroeg, want dan was de drukte in het verkeer nog enigszins te overzien. Oranje fietsen, ook dat nog. Rare jongens, die Hollanders.

Onze Nepalese gids ging ons voor, door de stoffige steegjes van de oude stad. Gelegenheid om in slaap te vallen was er niet. Het was zaak om je ogen niet in je zak te hebben. Geiten, honden, kinderen en aanverwante artikelen staken kriskras de straat over. Daarnaast waren de houten karren met groenten en varkenskoppen, rammelende riksja’s, slingerende tuktuks en de kuilen in het asfalt nog slechts enkele van de obstakels die we tegenkwamen op ons pad. Ondertussen ook nog wat van de omgeving proberen te zien en foto’s maken, het is een hele opgave.

We stopten om ontbijt te nuttigen bij Karim’s Restaurant, krakend verse roti en pittige dahl van gele linzen met komijn. Lekker met je handen. Waarom doen we in Nederland dat niet wat vaker?

We vervolgen onze tocht. Het wordt maar weer eens duidelijk hoezeer het leven zich hier op straat afspeelt. Bij een waterpomp wordt gewoon op straat tandengepoetst en gewassen. Zelfbenoemde barbiers hangen een spiegel op een spijker in een muurtje, zetten er een stoel voor en gaan aan de gang met schaar, kwast en scheerzeep. Twintig roepies voor een knipbeurt plus hoofdmassage, een van de weinige veroorloofbare luxes voor de lokale bevolking.

Bij de Yamuna rivier is het ook in de ochtend een al bedrijvigheid. Een man dobbert rond op een zelfgemaakt vlot en vist her en der bruikbaar afval uit het water. Anderen nemen een bad, offeren rijst en bloemen op drijvende schaaltjes of steken kaarsjes aan. We zijn er getuige van hoe het hoofdje van een baby wordt kaalgeschoren, maar de reden hierachter blijft voor ons als Westerlingen onduidelijk. Nu thuis biedt Google ook geen eenduidige uitkomst. Ik vermoed dat het ook iets met offeren te maken heeft.

Van mijn zus, die eerder een lange rondreis door India maakte, leerde ik dat het wordt gewaardeerd om anderen laten delen in je rijkdom (voedsel). Dus toen we halt hielden voor een verademende chaithee pitstop brak ik stukken van mijn Hollandse mueslibol af voor het theemannetje en onze twee fietsgidsen. Allen wilde maar wat graag het ‘Dutch bread’ proeven. ‘It’s soft! And sweet!’ Als je in Nederland zou vragen, ‘wil je een hap van m’n boterham’ zou je daarentegen eerder raar worden aangekeken.

Het middaguur breekt aan. De zon brandt inmiddels fel aan de hemel. Het verkeer is uitgegroeid tot een bonte toeterkakofonie aan uitlaatgassen. Het luidt het einde in van onze drie-urige tocht. Voordat we terugkeren maken we nog een rondje door het Gandhi museum, in India liefkozend ‘Bapu’ (vader) genoemd. In één week heb ik nu drie van de grote helden der aarde van dichtbij mogen meemaken. Naast de nog levende legende McCartney en Dr. Marten Luther King, nu ook Mahatma Gandhi. Het is onwerkelijk. Maar ik voel me bevoorrecht.

Moe maar voldaan laten ons terug scheuren in een van de geelgroene tuktuk bromscootertjes. In het hotel snuit ik puur zwart stof in een zakdoek.

-oOo-

Over anderhalve week mag ik weer. Maar eerst staat er dit weekend een vlucht naar Montréal, Canada voor me in de planning. Deze maand ga ik kriskras over de wereldkaart: van West (Atlanta) naar Oost (Delhi) via West (Montréal), weer naar Oost (Delhi en Dubai). Houden jullie het nog bij? Ik volg het zelf amper.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

095 Georgia on my mind

(17.12 uur, nog amper goed en wel bekomen van mijn Ahoy- en Atlanta avontuur, vlieg ik morgen al weer uit naar de andere kant van de wereld; New Delhi, India)

Aan boord lees ik glimlachend de recensies van afgelopen zaterdag in de krant. Het had nog heel wat voeten in de aarde. Tot de dag tevoren was het spannend of het zou lukken. Maar uiteindelijk mocht ik toch, dankzij de welwillendheid van een van de vluchtindeelsters. Ik was erbij. Ahoy schudde op zijn grondvesten. En ik zinderde mee. Na afloop mijn handen beurs geklapt en stem schor gezongen. Paul McCartney live, het was fantastisch. Een passagier komt thee vragen. Ik schenk een bekertje voor hem in, terwijl ik zachtjes de openingstonen van ‘Hello Goodbye’ neurie.

Het is vroeg in de ochtend. Nog geen vijf uur geleden stegen we op in Atlanta, Georgia, USA. De ovens zetten zich ondertussen zoemend in werking. Het achterste gedeelte van het vliegtuig vult zich langzaam met de geur van ei en gebakken broodjes. Over een half uur zullen we ‘er in gaan’ (lees: aanvangen) met het ontbijt. Dus ik prik ook alvast koffieblikken in de machines, dan kunnen die alvast doorlopen.

Het was een rustige vlucht. Door de nacht heen is dat het meestal. We houden onszelf wakker met een krantje, even ‘buurten’ bij de collega’s voorin of een ronde met sapjes door de cabine. Boven de oceaan was vanuit de cockpit prachtig het noorderlicht zichtbaar. Het leek een wazige gloed, een schijnsel dat zich in een langwerpige band net boven de horizon uitstrekte, continu veranderend van intensiteit en vorm. Dit ging vergezeld van een kraakheldere hemel dicht bezaaid met sterren. Vallende meteoren trokken een kort lichtspoor. Ik drukte mijn voorhoofd tegen het glas. Een adembenemend moment op 38.000 voet hoog. Wauw.

De 24 uur ter plaatse in Atlanta gingen snel. Van tevoren had ik mij al even ingelezen in de mogelijke korte tripjes die een ochtendvullend programma zouden vormen. De middag wilde ik gebruiken voor een lichte lunch en een aantal voorslaap uurtjes. Tijdens het ontbijt met muffins en cereal peilde ik de animo onder de crew. Een geïnteresseerde collega voegde zich bij me en we kozen voor een bezoek aan de Martin Luther King National Historic Site.

De MARTA metro dienst bracht ons er middels een overstap op Five Points binnen de kortste keren. Een ritje met het openbaar vervoer in het buitenland vind ik vaak al een belevenis op zich. Uitvogelen hoe het systeem van de kaartjes werkt, uitzoeken welke lijn en halte je moet pakken. En dan tussen de locals het onbekende landschap doorzoeven naar je gekozen bestemming. Next stop: King Memorial, exit on your right please.

Maandagochtend. Rustig op straat. De temperatuur buiten is zonnig en aangenaam. Terwijl we door de buurt lopen, laten we ons overweldigen door het levensverhaal dat destijds een radicale omwenteling betekende, maar ook tegenwoordig nog een zeer actueel thema is. Een moment van bezinning is er in de Ebenezer Baptist Church, waar Dr. King zijn diensten predikte. Twee bankrijen achter me is een geüniformeerde Park Ranger verzonken in zijn gebed. Om even later met zijn blindengeleidehond de kerk op de tast te verlaten. Het graf van dominee King is sober, in het midden van een blauw bassin ligt hij begraven naast zijn vrouw, omringd door kleurig bloeiende bloesembomen. Lente ten voeten uit. Ieder met onze eigen gedachten nemen we de blauwe lijn weer terug in dezelfde richting als we gekomen waren.

Voordat ik ga slapen duik nog even de grote Lenox Mall in. Haal een burrito en paar peanutbutter cookies. Niet lang daarna wandel ik al slurpend uit een maxiformaat beker, gevuld met een smoothie en tinkelend crushed ice terug naar het hotel. Wat een land.

Ik word uit mijn overpeinzingen gehaald door het gepiep van de ovens en pruttelende versgezette koffie. We zijn er bijna nu. De laatste nachtelijke loodjes. Ik bouw de trolleys op voor de service en wederom verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. Ik voel me een zondagskind dat op een woensdag geboren is.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Extra info bij de foto’s: Macca live: vuurwerk en confettisnippers uit het plafond; King mememorial: MARTA signs, M.L.’s leven in een muurschildering, zoek de echte mensen tussen de poppen.

094 Croissantjes in de cockpit

(18.01 uur, dag drie van de tien, nog tot middernacht aan huis gekluisterd)

Terwijl de Haarlemse kerkklokken zes uur slaan, sluiten de stand-by ketenen zich. Twee weken lang ben ik oproepbaar voor alle vluchten over de hele wereld. Twee weken leven zonder enige vorm van planning. Inmiddels een bekend tafereel. Maar het blijft gek.

Zal ik zaterdag Paul McCartney eindelijk live gaan zien!? Onzeker. Eén telefoontje en het concertkaartje kan door de papierversnipperaar. Natuurlijk, ik heb geprobeerd vrij te vragen. Maar de ingediende verzoeken werden tot mijn spijt afgewezen. Ik kreeg dit tiendaagse stand-by blok toebedeeld. Ruilen was geen optie.

Nu rest mij niets anders dan afwachten. De wens om die dag thuis te zijn heb ik aan de vluchttoewijzers kenbaar gemaakt (pleeeaaase please me – oh yeah!). “Het staat genoteerd, maar we kunnen je niks beloven. Als we je nodig hebben, moet we blindelings op je kunnen vertrouwen.” Ja, ik weet het. Dus zit ik rustig mijn tijd in de luchtvaart-tombola uit met de telefoon binnen handbereik. Aan weerszijden van mijn koffer de twee stapels kleding. Een koude/Europese winterjasoutfit en een zonnige/Verweggistan tropischekortebroeken versie. Bestemming onbekend.

-oOo-

Voor dit soort dagen zijn de fotografieboeken die ik op mijn verjaardag heb mogen ontvangen een welkom tijdverdrijf. Ik lees over de verschillende mogelijkheden wat inkaderingen, composities, sluitertijden en diafragma-instellingen betreft. Oef. Pittige kost voor een groentje zoals ik. Veel klooien, uitproberen en in de prullenbak kieperen. Communiceren met beelden in plaats van met geschreven woorden. Het is nog een hele kunst. Maar wat voor één!

-oOo-

De afgelopen weken vloog ik weer rond binnen het vertrouwde Europese luchtruim. Manchester, Glasgow, Parijs en Kopenhagen. Zelfs zo frequent dat de passagiers aan boord me herkenden: “Hey, it’s you again! – Mais oui, c’est vous encore une fois!”. Jep. Mevrouw Macaron meldt zich. Ik haalde nogmaals even gauw die lekkere pastelgekleurde biscuits. Liep eindelijk dat rondje door Kopenhagen. Dolde met de passagiers. Fotografeerde de prachtige Squinty Brigde in Glasgow. Bestelde een Chai Latte bij café Nero. En scoorde een strandlaken met de Britse vlag. Het is fijn om onderweg te zijn.

Tijdens de vluchten was het af en toe flink turbulent en mistig.

Maar aan boord hadden we warme croissantjes uit de oven.

-oOo-

Na mijn dienst als vliegende kiep zal ik weer afreizen richting verre oorden. Verderop in mijn rooster staan er vluchten naar Delhi (India) en Montréal (Canada) gepland. Maar ook: Manchester (daar ben ik weer!) en Göteborg (Zweden).

Standbye-bye for now!

093 Jambo Afrika!

(15.05 uur, zojuist achter mijn computer gekropen met een dampende kop Tanzaniaanse thee)

Jambo lieve lezers! Ik weet het. Waar zit ze toch? Afgelopen weekend druk met het vieren van m’n verjaardag. Fijn om onder familie en vrienden te zijn. Maar jullie hadden nog een verhaal plus foto’s te goed van mijn eerste Afrikaanse uitstapje. Bij deze.

We vertrokken in de ochtend vanuit Amsterdam. Aan boord veel kaki afritsbroeken en tropenhelmen. Niet zo gek als je bedenkt dat Tanzania bekend staat om zijn indrukwekkende natuur. De Ngorongroro vulkaankrater, het Serengeti wildreservaat en Kilimanjaro berg zijn slechts enkele van de prachtige locaties die het land rijk is. Bekende namen voor wie wel eens National Geographic channel heeft opstaan. Ik zal het nog even aan me voorbij moeten laten gaan. De twintig uur ter plaatse zijn veel te kort om én uit te rusten én op een spannende safari te gaan. Dus de enige wilde dieren die ik zag waren de houten giraffes en olifanten in de hotellobby.

Het is midden in de nacht als ik de eerste stappen op Afrikaanse bodem zet. Pikdonker. En nog broeierig warm. In een bus met ijskoude airco worden we naar het hotel gereden. De dag erna kijk ik uit mijn raam. Pas dan zie ik waar ik terecht ben gekomen. Op straat gonst het al vroeg al van de activiteit. Brommertjes en pick-up trucks snorren voorbij. In de schaduw van een boom staat een groepje mensen te praten. Een dame steekt de straat over, terwijl er een enorme ton op haar hoofd balanceert. Na een eenvoudig ontbijt trek ik er met mijn camera op uit voor een rondje door de buurt. Iedereen die je tegenkomt begroet je vriendelijk glimlachend met ‘karibu!’. In de veronderstelling dat dit ‘hallo’ betekent, roep ik het de rest van de dag net zo enthousiast terug. Later leer ik echter dat het Swahili is voor ‘welkom’ … Dat verklaart ook waarom ik soms met een frons en een lach werd nagekeken.

Ik kom terecht op een lokale markt, waar handgemaakte waren aan toeristen worden verkocht. Dit is andere koek dan ‘Made in China’ plastieken souvenirs. Kleurrijke schilderijen, sierlijk houtsnijwerk en kunstig gevlochten rieten manden. Wetende dat ik haar er een plezier mee doe, neem ik een grote boodschappenvariant mee voor m’n moeder. Hij past maar net in mijn koffer.

Na een paar struinuurtjes en hier en daar wat foto’s is het al weer tijd om ‘voor te slapen’ voor de terugvlucht de nacht door. Het weinige wat ik van het land heb kunnen zien heeft al indruk op me gemaakt. De vriendelijkheid van de goedlachse mensen is hartverwarmend. Ik hoop er dan ook zeker nog een keer terug te mogen komen, misschien dan wel wat langer …. op vakantie bijvoorbeeld.

-oOo-

Deze week weer dichter bij huis. Retourtje Parijs en Manchester. Zaterdag vangt m’n tweeweekse stand-by aan. Benieuwd waar ik dan weer terechtkom …

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.