029 Mentaal niet bij te houden

 

(19.04 uur aan de vooravond van een vroege dienst naar Hamburg en Kristiansand)

Een rare gewaarwording. Als je lichaam sneller reist  dan je geest kan bevatten. Als dat in de tijd betreft, noemen we dat een jetlag. Menigeen welbekend. Maar wat nou als het om een misbesef in plaats gaat? Dat je even niet meer weet waar je bent, of waar je lichaam geweest is?

-oOo-

Een jetlag kan worden ervaren bij het doorkruisen van een aantal verschillende tijdszones, na een lange vliegreis. Je innerlijke biologische klok raakt van slag. Het circadiane ritme (moeilijk woord!), dat je slaap- en waaktijd regelt op basis van licht en donker, wordt verstoord. Met de daaruit voortvloeiende slechte (kortere) nachtrust, veranderde eetlust, vermoeidheid en verlies van concentratie als gevolg. Een Transatlantische Kater. Op de kortere Europese vluchten die ik uitvoer zijn jetlags natuurlijk niet aan de orde. In Engeland is het één uur vroeger, in Rîga eentje later. Geen last.

De desoriëntatie in tijd die ik ervaar is louter omdat er soms belachelijk vroeg moet worden opgestaan. Maar dat doe ik mijzelf aan, niet de veranderde tijd. Want ook in Düsseldorfse tijd is het nog steeds holst van de nacht. Zoals jullie weten verlaat ik regelmatig mijn fijne bedje voor dag en dauw rond vier uur duisternis. Ontbijt om kwart voor vijf. Een half uur soezen in de taxi en om zes uur de passagiers boarden. Logischerwijs begint m’n maag dan ook rond een uur of tien flink te knorren voor een prelunch. En tijdens de middagse theetijd reeds onophoudelijk te smeken om avondeten. Door de opgebouwde slaapschuld (ik slaap altijd korter en slechter op vroege diensten) ben ik sneller vermoeid. Vechten tegen de knikkebol. Ruim twintig procent van de incidenten in de luchtvaart zijn gerelateerd aan vermoeidheid. Koppie erbij dus! Koffie erbij dus! Maar een rasechte jetlag komt in mijn boekje (nog) niet voor.

Wel heb ik regelmatig last van de ‘geen benul’ in plaats. Andere reislustigen zullen dat vast herkennen. Je weet even niet meer waar je allemaal geweest bent. Elke week heb ik wel een dag waarop ik fysiek aanwezig ben in vier verschillende landen. Vorige week bijvoorbeeld nog. Op één dag in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Noorwegen. De dag daarop ook nog in België en Oostenrijk. Met een paar dagen achtereenvolgende arbeid kan die lijst flink oplopen. Mentaal soms niet bij te houden. Het is dan ook niet gek dat ik af en toe niet weet waar ik uithang of -gehangen heb. Het is wel eens gebeurd dat ik na de landing in Hamburg tijdens mijn speech ‘welkom in Bristol’ heb gezegd, terwijl we toch echt in Duitsland waren. Bij het uitchecken op Schiphol worden we wel eens extra gecontroleerd op geïmporteerde goederen, dan gepaard gaande met de vraag waar je vandaan komt. Waar ik vannacht heb overnacht? Geen flauw idee. Ik moet daar vaak serieus over nadenken, wat wel eens argwaan wil opwekken bij de douanebeambten. ”Sorry! Maar na het croissantje in Toulouse heb ik al weer drie vluchten gedaan, nummer twaalf, dertien en veertien van deze week. Ik laat u graag de inhoud van mijn koffer zien…”

Zou er al een naam voor bestaan? Dat onbenul in plaats. Plonbenul misschien? Ik kon het niet vinden. Wat dachten jullie anders van: Stadsabuis? Of misschien moet het iets Engels zijn; Townblank? Citygap?  Ik wil het graag het publiek vragen. Pakt u de stemkastjes er maar vast bij.

Zaterdagavond. Morgen gaat mijn wekker weer om vier uur. Ik moet op de een of andere manier slaap zien op te wekken. Over een uurtje moet ik eigenlijk al naar bed, wil ik de acht uur nog halen. Beker warme melk met honing. In mijn eigen bed. Niks per abuis. Dáár kan geen verwarring over bestaan…

028 Groningse molleboon

(21.32 uur, te Haarlem. Vanmiddag met een schorre stem afgestapt van de vlucht naar Hamburg. Een fikse keelontsteking. Schrijven is momenteel de enige verstaanbare manier van communiceren.)

Groningen. Ondanks dat ik al jaren in Haarlem woon blijft het ‘mijn’ stad. Toen ik met vliegen begon, ben ik verhuisd. Voor mijn werk moet ik binnen een uur op Schiphol kunnen zijn. Vanuit Grunn is dat gewoonweg onmogelijk. Een kleine twee uur, als je mazzel hebt.

Maar op mijn afkomst ben ik nog altijd trots. M’n crewkoffer is een ware mobiele ‘er gaat niets boven…’ promotie op wieltjes. Met een glimlach rol ik de Groningse vlag en de Martinitoren - in stickerversie - achter me aan. Op reis naar wereldwijde bestemmingen. Niet zelden is het een aanknopingspunt voor een praatje met collega’s of passagiers.

Ik ben een wereldburger geworden. Haast vaker weg dan thuis. Toch blijf ik terugkomen in het hoge Noorden. Bijna maandelijks stap ik in mijn auto, tweehonderdvijftien kilometer heen, en weer terug. Ik ken de stad. Vertrouwd, knus en bekend. Even struinen door de Folkinge. De klokken van d’Olle Grieze horen slaan. Terrasje pakken bij het Newscafé. En een stukje Povvert met bruine basterd eten bij oma. Dat zijn de momenten waar ik het voor doe. De momenten waarin ik mij nog even een molleboon* waan.

Het is stad waar ik opgroeide, studeerde en ook gewoond heb. Tweeduizenddrie begon dan ook met een speurtocht naar de perfecte kamer. Mijn eerste vlucht. Die uit het ouderlijk nest. Hospiteren. Da’s studentikoos voor: de te verhuren kamer komen bekijken. Samen met nog twintig andere gegadigden is het zaak om je van je beste kant te laten zien op twaalf vierkante meter. Een belletje als je het geworden bent, is de belofte; natuurlijk vooraf gegaan door een uitgebreid huisgenoten beraad. De eerste paar keren viste ik achter het net. Stiekem waren het ook plaatsen waar ik toch niet wilde wonen. In een afgeleefd achterkamertje. In een verre buitenwijk met uitzicht op een brandgang. Alleen bij zonsondergang een piepstraaltje licht. Een oproepje in het lokale Gezinsbode sufferdje moest uitkomst bieden. Veel reacties, waaronder een vrijgezelle ‘studentes zijn wel mijn ding’ man, een dame op leeftijd die graag samen wilde Rummikuppen en een notoire telefoonhijger. Maar ook de bewoners van Huize Bloemendal.

Nee, geen huis voor de oude van dagen. Maar een rasecht studentenhuis. Bewoond door een gemêleerd gezelschap. Vijf bollebozen, met allegaartje aan studierichtingen. Rechten, Biologie, Nederlands, Geneeskunde en ik, Psychologie. Van een van hen vermoed ik nog steeds dat hij in het geheim wietplanten kweekte onder zijn bed, maar dat terzijde. Er was een klik. En ik kwam door de keuringscommissie.

Mijn kamer was een van de kleinsten. Met uitzicht op de dakgoot en onder het schuine dak. Maar wel centraal gelegen en met het Noorderplantsoen als achtertuin. Keuken, toilet en douche gedeeld. Het schoonmaakrooster hing pontificaal maar reeds ver over datum in de gezamenlijke keuken. Men vond kennelijk dat een douche (in een betegelde inloopkast!) over een zelfreinigend vermogen beschikte. Je waste zich daar immers elke dag met water en zeep? Fruitvliegjes waren in de zomer vaste bewoners van het aangekoekte keukenservies. Als ik het beu was, kieperde ik het hele zooitje verschimmelde vaat in een vuilniszak en deponeerde het bij de desbetreffende viespeuk op zijn kamer. Een week later stond het er weer. En bij gebrek aan een degelijk afsluitend ventilatierooster in het toilet, was er een poster over het gat in de muur geplakt. Als je zat te plassen bij slecht weer, hoorde je de regendruppels er zachtjes op tikken. Waar was ik in hemelsnaam in verzeild geraakt?

Deze sporadische ontnuchteringen hoorden erbij. Want voornamelijk herinner ik me natuurlijk de leuke zaken. De gezellige etentjes met vrienden, huis- en studiegenootjes. Een kookploeg en een afwasploeg. Een grote pan vol goedkope pasta en iedereen kan komen opscheppen. De bezoekjes aan piekuur cafés, met een steevaste kansloze apotheose in de dagkriekende uurtjes van de  Blauwe Engel. Zo ben ik in de KEIweek nog eens een keer wakker geworden op een Turfsingelse studentenwoonboot van zojuist gemaakte vrienden. Ontbijten met een kater en chips van de avond ervoor.

Studeren aan de universiteit bestond voornamelijk uit colleges volgen, in de grote Offerhauszaal van het Academiegebouw. Op - hoe kan het ook anders – houtkontbankjes. Met koffie uit de automaat. Om daarna boeken te verslinden; voornamelijk in het Engels. In het eerste studiejaar kon ik mijn brein er soms wekenlang over breken. Waarna ik de dag voor het tentamen radeloos tot de conclusie kwam dat ik nog 300 pagina’s moest. Hellup! Maar al doende leerde ik. En na verloop van tijd kon ik in een weekend voorafgaande aan de toets wel een heel boek vestouwen. Totale afzondering. Een flinke zak drop en een pot koffie erbij. Me ingraven onder tig stapels volgeschreven vellen met theorieën en berekeningen. Maar na afloop wél mooi die punten in m’n zak steken. Op een blauwe maandag volgde ik zelfs nog een vak aan de faculteit Sterrenkunde. Het Evoluerend Heelal. Over het ontstaan van sterren, planeten en oneindig verre melkwegstelsels. Ik sloot het wonderbaarlijk genoeg af met een negen. Zou er een astronoom in mij verloren zijn gegaan…?
De vier jaren inspanning en afzien werden uiteindelijk verenigd in het papiertje dat ik heb mogen behalen. En in de vele mappen, ordners, uittreksels, boeken en aantekeningen. Ik vond ze laatst nog in oude verhuisdozen op zolder - tussen de kampeerspullen - in de veronderstelling dat ik het ooit nog weer zou lezen. Niet echt.

De kennis zit in mijn hoofd (vooruit, nog een beetje dan). En de stad nog steeds in mijn hart.

Er gaat niets boven Groningen. Oh jawel, ik, zo nu en dan. Als ik hoog in de lucht onderweg ben naar Scandinavië.

*Mollebonen zijn een Groningse lekkernij, maar ook een bijnaam voor de inwoners van de stad Groningen

027 Pingels en bliepgeluidjes

(14.30 uur vanuit een broeierig Haarlem)

Ik doe er net zo hard aan mee. De ‘verdigitalisering’. Zoals jullie weten zet ik namelijk ook regelmatig een berichtje via mijn mobiel online. Een hightec dingetje met GPS, 3G verbinding, WiFi en de hele rataplan. Handig voor als je veel onderweg bent. Altijd je foon kunnen opnemen, je mail kunnen openen en je smsberichten kunnen lezen hoort bij de wereld van vandaag. We kunnen ons niet meer voorstellen hoe het ook al weer was om mobielloos door het leven te gaan. Maar in de jaren negentig hebben we ons toch echt gered met vaste lijnen, belkaarten en telefooncellen. Wat moet dat heerlijk rustig zijn geweest…

Eigenlijk steekt het me. Dat ik zo toegewijd ben aan wat zich in de digitale wereld afspeelt. Iedereen moet en wil altijd maar online zijn. Een vorm van digitale verslaving? Het laatste nieuws checken, mails versturen op het terras en klagen bij slecht bereik. Alles aan iedereen vertellen. In Nederland zijn er momenteel ruim dertien miljoen mobieltjes in gebruik. En je hebt er een hele dagtaak aan om al je ‘vrienden’  en contacten op de hoogte te houden. Want iedereen doet tegenwoordig wel aan enige vorm van sociaal netwerken. Twitter, Facebook, Flickr, MySpace, Hyves, Linkedin, MSN, tig verschillende emailadressen voor werk en thuis… Ik ben het spoor wel eens bijster.

Ook aan boord van een vliegtuig stopt dit natuurlijk niet. Voor vertrek nog even snel een belletje plegen, een mailtje typen of sms’je sturen. Het is dan natuurlijk vréselijk vervelend om door de stewardess gesommeerd te worden je elektronische apparatuur uit te schakelen. Wat nou ‘gereed voor vertrek’, ziet ze niet dat ik nog aan het bellen ben? Ik ben pas gereed als ik dit heb afgehandeld. Ze wachten maar even. Of ik mijn telefoon nú uit wil doen…? Waarom? Oh, de flight safety uitleg over hoe de nooduitgang werkt? – Zucht – Vooruit dan maar. ”Ja, ZE wil dat ik nu ophang Wim, bel je zo terug als we geland zijn.”

Het vliegtuig heeft zijn gestel nog niet eens op het asfalt geplant of men zet zijn mobieltje weer aan. Talloze bliepgeluidjes en pingelings vullen de cabine. Checken of er iets ‘gemist’ is gedurende dat uurtje dat we frappant genoeg tegelijkertijd in- en uit de lucht waren. Want helaas voor de  bereikbaarheidsfreaks is er nog geen mobiel netwerk op tien kilometer hoogte. Of je moet al in het bezit zijn van een peperdure satelliettelefoon (bellen vanaf twee euro vijftig per minuut en dat is nog exclusief de aanschaf van het apparaat zelf: ongeveer 1500 euro…).

“Heee hai met mij. (…) Ja goed en met jou? Waar ben je?”
“Ja aan boord van de vlucht naar Wenen. Ik heb net mijn tas in de bagagebak gegooid en maak nu… *klak* mijn stoelriem vast,”
Elke boe of bah uit je leven moet tegenwoordig aan de buitenwereld worden meegedeeld. Middels je actuele WieWatWaar status moet iedereen weten waar je uithangt. “Vijf weken backpacken door de boeshboesh @ Tanzania”, is een verkapte manier van zeggen: hallo inbrekers! Mijn huis is voor langere tijd onbewoond, dus haal de boel maar leeg! En wil ik die foto van een zojuist bevallen collega die haar pasgeboren baby met bloed, navelstreng en al nog vasthoudt echt zien?

Hm. Ik merk dan ook dat er in mij iets begint te borrelen tegen dit soort ongegeneerde publiekelijke uitspattingen en ontboezemingen. Een anti-tendens steekt de kop op. Zo heb ik onlangs mijn Facebook account opgeheven, verdiep ik me niet in Flickr en MSN ik eigenlijk alleen nog met mijn oma.

Aan mij gaat regelmatig het een-en-ander voorbij. En daar ben ik maar wat blij om. Want dat scheelt me heel wat nutteloze informatieve overdaad. Als je voor je werk vier dagen in den buitenlande bivakkeert is het onmogelijk om van alles op de hoogte te blijven. Heerlijk vind ik dat. Net zoals op vakantie gaan. Want zeg nou zelf, het is toch fijn om even zonder televisie en internet te zitten, in een gebied zonder mobiel bereik. Meer aandacht voor je eigen leven, je directe omgeving en wat daar in speelt. Ik laat vaker mijn telefoon en computer bewust uit staan. Zo probeer ik meer plaats te maken voor de kleine tastbare geneugten. Een uitnodigend uitwaaimoment op het strand. De zon op mijn bol tijdens een wandeling door de stad. De geur van pasgemaaid gras. Een goed gesprek face-to-face. Een kop koffie met vriendinnen. Een liefdevolle aanraking. Zo fijn. En daar heb ik helemaal geen multimedia voor nodig.

026 Peentjes zweten

(16.10 uur, stand-by thuis te Haarlem)

Je zit er misschien wel helemaal niet meer op te wachten. Een impressie van mijn middag en avond op het Museumplein. Je wilt wat er gisteren gebeurde misschien wel het liefst zo snel mogelijk vergeten, verstoppen of zelfs ontkennen dat het überhaupt heeft plaatsgevonden. In dat geval moet je maar gauw ophouden met lezen. Want dat is toch waar dit stukje over gaat.

-oOo-

Het begon zaterdagmiddag. Met het last-minute scoren van een oranjeshirt. En denk je dat dat makkelijk is? Nee natuurlijk niet! Alle oranje rommel was overal uitverkocht, op nog wat harige oranje beenwarmers (met deze temperaturen!) en wat maat extra large bungalowtent shirts na. Gelukkig vond ik een achteraf winkeltje dat nog niet ten prooi was gevallen aan de oranje plundering. Een dandy witte polo met oranje kraag zou mijn outfit worden.

Met de trein van Haarlem naar Amsterdam CS met de tram naar het Museumplein. Hier gaat het gebeuren. Er zijn enorme schermen opgehangen aan hoge metalen zuilen. Het lijkt alsof we allemaal deelgenoot zijn van een geheim genootschap. Mensen in oranje uitdossing voelen onmiddellijk een band. Wie oranje draagt hoort erbij. Of je nu uit Duitsland, Engeland of Australië komt. Kleur verbroedert. Nederlands spreken is geen vereiste. Schilder de rootwitblauwe driekleur op je wang en je bent gegarandeerd van de eensgezinde saamhorigheid. Dat je feestknallers als “Nederland oh Nederland - Jij bent de Kampioen – Wij houden van oranje” playbackt als een foute Neil Diamond imitator op een cruiseschip, geeft helemaal niks. Blazen op je vuvuzelaatje behoeft geen taal. Ik voel me bij nader inzien wel wat doorsnee vergeleken met de knotsgekke kostuums van anderen. Hoe idioter, des te cooler, lijkt het wel. Ik kijk mijn ogen uit. De dag is nu al geslaagd en ik heb nog geeneens voetbal gezien. Toppunt: hoofddeksel in de vorm van een oranje uilskuiken.

De sfeer zit er reeds vroeg in de middag al goed in. DJ’s draaien hoempapa hotseklotsmuziek. Mensen dansen, zingen en chillen maximaal op opblaasbare banken of gewoon in het groene gras, dat prachtig afsteekt tegen al dat oranje. Vanuit helikopters dalen tienduizenden oranje gerbera’s op ons neer. Hoe dichter de aftrap van de wedstrijd nabij komt, des te drukker het wordt, maar ook: des te aangeschotener sommigen worden. Blootgebaste jongemannen hossen luidkeels zingend in het rond met zojuist geopende bierblikjes. Gevolg: een bierdouche voor de menigte die zich er in een straal van minimaal 6 meter omheen bevindt.

Voor het bijwonen dergelijke publieke bijeenkomsten zijn er eigenlijk twee dingen noodszakelijk: lang zijn en man zijn.

Lang zijn spreekt voor zich. Ik spendeerde het grootste deel van de avond aan nekstrekken langs Hollandse reuzen en wijdse krullenbollen om nog een glimps op te vangen van wat er op het scherm te zien viel. Een meisje wordt op de schouders van een vriend gehesen, maar belemmert zo het zicht voor tientallen fans. Er wordt geschreeuwd, geknakte vuvuzela’s en plastic glazen vliegen haar om de oren om haar naar beneden te manen. (Hang die schermen dan ook wat hoger).

Man zijn: omdat staand plassen me een heerlijke snelle verademing lijkt (en kom nou niet aanzetten met die plastuit voor vrouwen…). Wij zijn gedoemd tot de  openbare wcpapierloze Dixietoilethokjes. Een sterkte maag is vereist, want ze zijn al na een paar uur te ranzig voor woorden. Meer details zal ik jullie besparen.

(…)

Kwart over elf. Bijzonder toch hoe zo’n lullig wedstrijdje (oei kan ik dat wel veilig opschrijven?) zoveel vaderlandse teleurstelling ontketent. Tuurlijk is het jammer dat ‘we’ niet gewonnen hebben. Het was regelmatig even bloedstollend spannend.  Maar het is en blijft een spelletje (wel eentje die voor de spelers heel goed betaalt overigens). Henny Huisman zong het al jaren geleden:

Hier stond je dan vanavond
Het was wel spannend
Maar toch ook fijn
Maar zoals bij elke wedstrijd
Kan er maar één de winnaar zijn
We laten ons niet kennen (nee)
We gaan gewoon maar door
Want wie niet tegen z’n verlies kan
Die is maar zielig hoor.

Toch zag ik hoe een pot voetbal kan leiden tot een krenking in de nationale trots, die menig liefhebber zich nog tot ver in de toekomst zal weten te herinneren. Ik zag stoere volwassen kerels die tot tranen toe geroerd waren. De schmink op hun wangen vervagende tot grillige vlekken. Er werd tegen lege flessen aangetrapt. Oranje druipt af. Een colonne van honderdduizend mensen loopt over straat en trambaan. Auto’s toeteren, maar de macht van de grote menigte dwingt ze tot stilstand. Trams stagneren midden op een kruispunt. Treinen zijn met beslagen ramen tot de nok toe gevuld. De saamhorigheid blijft. Er is in de benauwde coupés zelfs ruimte voor ironische grappen over het verlies. Ondertussen zweten we peentjes. En tellen we de haltes af. Tot we er uit mogen. Oranje af. Ieder gaat weer zijn eigen weg.

Momenteel stand-by tot vanavond zeven uur. Mijn oranjeshirt ligt al weer netjes schoon en gestreken in de kast. Voor de volgende keer.

De komende dagen naar Toulouse, Bristol en Nice.

025 Insectenbaard

(17.44 uur met een glaasje zelfgemaakte ijsthee binnen handbereik)

Ik doorkruis met mijn auto de zwoele avondwarmte richting Schiphol. Zelfs de blower op vol vermogen kan niet verhinderen dat alles plakt en de druppels nog steeds langs mijn slapen naar beneden kruipen. Ik hoor een zacht tikkend geluid aanzwellen. Eindelijk verkoeling? Hemelwater…? Het zal toch niet?

Nee. Maar het regent wel. Vliegjes. Ik rijd net door een gebied met veel open water. Ai. *Tikkerdetokkerdetak*. Binnen een mum van tijd is mijn hele voorruit  bedekt met een dikke laag muggenprak. Jakkes. Dat wordt weer schrobben. En een beetje spoedig ook. Want als je je auto nog dagenlang in de hete zon laat bakken heb je de poppen helemaal aan het dansen. Dan kun je de koek insecten er met een plamuurmes afbikken.

Ik parkeer en ben blij dat ik uit kan stappen. Vroeger vond ik altijd al dat de voorkant van auto’s op gezichten leken, met koplamp-ogen en een nummerplaat-mond. De mijne heeft nu ook een harige insectenbaard. Yuk.

-oOo-

Ook aan boord is het afzien. Vooral als we een vliegtuig binnenstappen dat al enige tijd geparkeerd staat in de volle zon. Sauna-achtig. Zinderend verzengend. De airconditioning draait loeiend overuren. Zelfs zo dat er tijdens de vlucht soms brokjes ijs uit de ventilatortjes komen. Maar werken zullen ze. Want als de temperatuur achter in de cabine boven de dertig graden stijgt, wordt er niet ingestapt. Eentje uit het rijtje Passenger Comfort.

Passagiers komen in korte broeken en op slippers zwetend aan boord. Geheid wordt er tijdens de vlucht weer om dekens gevraagd. Want na een uurtje in de airco is het weer te koud.

Toulouse is kort. Slapen – ontbijten- en weer weg. Toch vind ik de tijd om een lekker stinkend Saint Paulin kaasje en stokbrood te halen bij de Champion supermarkt om de hoek. Aan boord maak ik toastjes op een plateau en ga de crew rond. Een Engels kindje wordt blij van het oranje WK beesie dat ik hem geef.

Vier vluchten en ruim honderd liter geschonken water, koffie en jus verder eindigen we ‘s avonds laat in een rouwend Düsseldorf. Tijd om na noeste arbeid zelf even uit te puffen en te ontspannen met een verkoelend drankje. We zijn blij dat we onze uniformen eindelijk kunnen verruilen voor iets luchtigers. Duitsland heeft de dag tevoren hun plaats in de finale verspeeld tegen Spanje. En dat is te merken. De stad is uitgestorven. We lopen een uur lang, net achter alle sluitingstijden aan. Ken je dat? Telkens als je ergens neerploft krijg je te horen dat er niks meer geserveerd wordt. Moedeloos en dorstig zijgen we uiteindelijk neer in een verlaten Ierse pub. We krijgen nog één ronde geserveerd en worden dan vriendelijk verzocht onze heil ergens anders te zoeken. Ik vind het in mijn hotelbed. Slapen is noodzaak en een ware traktatie na een dag in de lucht.

024 Hulde aan de trektekkel


(8.09 uur vanuit een afgekoeld stekje aan het Paterswoldse Meer)

Ik ben er klaar voor. Het mag dan officieel wel niet ‘volgens de uniformvoorschriften’, maar ik heb mijn outfit vandaag opgefleurd met wat oranje spul. Uit mijn kraag kruipt een oranje fluffy ‘beesie’, om mijn pols prijkt een roodwitblauw kralenbandje en mijn nagels zitten strak in de knaloranje lak. Inderdaad het Nederlands elftal speelt vandaag. Tegen Brazilië. Ik kan voor de zoveelste keer weer eens niet met bier op de bank. Maar wel met klanten aan de koffie in het vliegtuig. Ook leuk. De hele cabine juicht als de gezagvoerder omroept dat er weer gescoord is. De Duitsers feliciteren me bij het uitstappen met het behalen van de volgende ronde. “Tot in de finale…!?” Niet ondenkbaar.

-oOo-

Een paar uur eerder. P30. Mijn werkdag staat op het punt te beginnen. Ik laad mijn spul uit de kofferbak tussen de rijen snikheet blik. *Tjaks* Geluid van knappend plastic. In mijn hand heb ik het handvat van mijn trolley. De stangen afgebroken plastic steken als twee verkeerd geplaatste antennes knullig in het luchtledige. Tja. Het zat eraan de komen. Na twee jaren dagelijkse trouwe dienst geeft ook  Samsonite nummer twee er de brui aan. Na twee jaar lang opstapelen in laadruimtes van taxibusjes en ratelen over oneffen luchthaven terrein. Na twee jaar lang in vliegtuig bagagebakken weggemoffeld te zijn. Na twee jaar lang rollen door winterse sneeuwlandschappen, herfstige regenblubber en zomerse grindbakken… is het nu uit met de pret.

Maar ja. Wat dan? De inhoud heb ik toch echt nodig op de vlucht naar Hamburg vandaag. En het kofferke de ganse dag aan het draaghengsel tillen en sjouwen is wel wat te veel van het goede. Zeker met deze tropische temperaturen, waarbij elke inspanning al te veel gevraagd is. Dus grijp ik één der vreemdsoortige stelen beet en begeef me zo naar de bushalte.

Natuurlijk schijnt ook op Schiphol de zon. Heet. Op Plaza is DE wedstrijd te volgen op het grote scherm. Er is voor de gelegenheid een hele tribune opgetrokken. Overal zitten wachtende passagiers en afhalers in oranje uitdossing op terrasjes, bankjes of zelfs op de grond. Zonnehoeden en vuvuzela’s. Bier en ijsco’s. Een meisje met een snoezig roze K3 trollietje ziet me voorbij komen. Eerst kijkt ze naar mij. Vervolgens naar mijn gehavende trolley. Dan naar die van haarzelf. Dan weer verbaasd naar die van mij. Ze trekt haar vader aan zijn broekspijp. Enigszins beschaamd trek ik mijn tweestokkige vod snel voort naar de koele airco en veilige haven van het bemanningscentrum.

Alsof dat nog niet genoeg is komt er een steentje klem te zitten tussen één van de wieltjes. Deze blokkeert volledig. Waardoor ik mijn valies nu als een onwillig kind achter me aansleep. Mijn collega’s gniffelen me na. En terecht. Het ziet er niet uit. Als ik ‘s avonds thuis kom heb ik één vierkant wiel. Samso II eindigt zijn leven bij het wekelijkse grofvuil. Triest.

-oOo-

Lang wordt er niet gerouwd. Trolley nummer drie vangt zijn dienstperiode aan. Hij heeft de sollicitatieprocedure doorstaan. Donkerblauw, blakend van nieuwigheid en met lekker veel vakken. Ben benieuwd of deze variant het langer volhoudt dan zijn gebutste broertje onder de onmogelijke arbeidsvoorwaarden die gesteld worden… Hulde aan de trektekkel.