(21.32 uur, te Haarlem. Vanmiddag met een schorre stem afgestapt van de vlucht naar Hamburg. Een fikse keelontsteking. Schrijven is momenteel de enige verstaanbare manier van communiceren.)
Groningen. Ondanks dat ik al jaren in Haarlem woon blijft het ‘mijn’ stad. Toen ik met vliegen begon, ben ik verhuisd. Voor mijn werk moet ik binnen een uur op Schiphol kunnen zijn. Vanuit Grunn is dat gewoonweg onmogelijk. Een kleine twee uur, als je mazzel hebt.
Maar op mijn afkomst ben ik nog altijd trots. M’n crewkoffer is een ware mobiele ‘er gaat niets boven…’ promotie op wieltjes. Met een glimlach rol ik de Groningse vlag en de Martinitoren - in stickerversie - achter me aan. Op reis naar wereldwijde bestemmingen. Niet zelden is het een aanknopingspunt voor een praatje met collega’s of passagiers.
Ik ben een wereldburger geworden. Haast vaker weg dan thuis. Toch blijf ik terugkomen in het hoge Noorden. Bijna maandelijks stap ik in mijn auto, tweehonderdvijftien kilometer heen, en weer terug. Ik ken de stad. Vertrouwd, knus en bekend. Even struinen door de Folkinge. De klokken van d’Olle Grieze horen slaan. Terrasje pakken bij het Newscafé. En een stukje Povvert met bruine basterd eten bij oma. Dat zijn de momenten waar ik het voor doe. De momenten waarin ik mij nog even een molleboon* waan.
Het is stad waar ik opgroeide, studeerde en ook gewoond heb. Tweeduizenddrie begon dan ook met een speurtocht naar de perfecte kamer. Mijn eerste vlucht. Die uit het ouderlijk nest. Hospiteren. Da’s studentikoos voor: de te verhuren kamer komen bekijken. Samen met nog twintig andere gegadigden is het zaak om je van je beste kant te laten zien op twaalf vierkante meter. Een belletje als je het geworden bent, is de belofte; natuurlijk vooraf gegaan door een uitgebreid huisgenoten beraad. De eerste paar keren viste ik achter het net. Stiekem waren het ook plaatsen waar ik toch niet wilde wonen. In een afgeleefd achterkamertje. In een verre buitenwijk met uitzicht op een brandgang. Alleen bij zonsondergang een piepstraaltje licht. Een oproepje in het lokale Gezinsbode sufferdje moest uitkomst bieden. Veel reacties, waaronder een vrijgezelle ‘studentes zijn wel mijn ding’ man, een dame op leeftijd die graag samen wilde Rummikuppen en een notoire telefoonhijger. Maar ook de bewoners van Huize Bloemendal.
Nee, geen huis voor de oude van dagen. Maar een rasecht studentenhuis. Bewoond door een gemêleerd gezelschap. Vijf bollebozen, met allegaartje aan studierichtingen. Rechten, Biologie, Nederlands, Geneeskunde en ik, Psychologie. Van een van hen vermoed ik nog steeds dat hij in het geheim wietplanten kweekte onder zijn bed, maar dat terzijde. Er was een klik. En ik kwam door de keuringscommissie.
Mijn kamer was een van de kleinsten. Met uitzicht op de dakgoot en onder het schuine dak. Maar wel centraal gelegen en met het Noorderplantsoen als achtertuin. Keuken, toilet en douche gedeeld. Het schoonmaakrooster hing pontificaal maar reeds ver over datum in de gezamenlijke keuken. Men vond kennelijk dat een douche (in een betegelde inloopkast!) over een zelfreinigend vermogen beschikte. Je waste zich daar immers elke dag met water en zeep? Fruitvliegjes waren in de zomer vaste bewoners van het aangekoekte keukenservies. Als ik het beu was, kieperde ik het hele zooitje verschimmelde vaat in een vuilniszak en deponeerde het bij de desbetreffende viespeuk op zijn kamer. Een week later stond het er weer. En bij gebrek aan een degelijk afsluitend ventilatierooster in het toilet, was er een poster over het gat in de muur geplakt. Als je zat te plassen bij slecht weer, hoorde je de regendruppels er zachtjes op tikken. Waar was ik in hemelsnaam in verzeild geraakt?
Deze sporadische ontnuchteringen hoorden erbij. Want voornamelijk herinner ik me natuurlijk de leuke zaken. De gezellige etentjes met vrienden, huis- en studiegenootjes. Een kookploeg en een afwasploeg. Een grote pan vol goedkope pasta en iedereen kan komen opscheppen. De bezoekjes aan piekuur cafés, met een steevaste kansloze apotheose in de dagkriekende uurtjes van de Blauwe Engel. Zo ben ik in de KEIweek nog eens een keer wakker geworden op een Turfsingelse studentenwoonboot van zojuist gemaakte vrienden. Ontbijten met een kater en chips van de avond ervoor.
Studeren aan de universiteit bestond voornamelijk uit colleges volgen, in de grote Offerhauszaal van het Academiegebouw. Op - hoe kan het ook anders – houtkontbankjes. Met koffie uit de automaat. Om daarna boeken te verslinden; voornamelijk in het Engels. In het eerste studiejaar kon ik mijn brein er soms wekenlang over breken. Waarna ik de dag voor het tentamen radeloos tot de conclusie kwam dat ik nog 300 pagina’s moest. Hellup! Maar al doende leerde ik. En na verloop van tijd kon ik in een weekend voorafgaande aan de toets wel een heel boek vestouwen. Totale afzondering. Een flinke zak drop en een pot koffie erbij. Me ingraven onder tig stapels volgeschreven vellen met theorieën en berekeningen. Maar na afloop wél mooi die punten in m’n zak steken. Op een blauwe maandag volgde ik zelfs nog een vak aan de faculteit Sterrenkunde. Het Evoluerend Heelal. Over het ontstaan van sterren, planeten en oneindig verre melkwegstelsels. Ik sloot het wonderbaarlijk genoeg af met een negen. Zou er een astronoom in mij verloren zijn gegaan…?
De vier jaren inspanning en afzien werden uiteindelijk verenigd in het papiertje dat ik heb mogen behalen. En in de vele mappen, ordners, uittreksels, boeken en aantekeningen. Ik vond ze laatst nog in oude verhuisdozen op zolder - tussen de kampeerspullen - in de veronderstelling dat ik het ooit nog weer zou lezen. Niet echt.
De kennis zit in mijn hoofd (vooruit, nog een beetje dan). En de stad nog steeds in mijn hart.
Er gaat niets boven Groningen. Oh jawel, ik, zo nu en dan. Als ik hoog in de lucht onderweg ben naar Scandinavië.
*Mollebonen zijn een Groningse lekkernij, maar ook een bijnaam voor de inwoners van de stad Groningen

Arm wicht dat doet zeer, je Oma zei ze heeft geen stem, dit is wat anders. Henk geeft je een goede raad cognac drinken met citroen,br br niks voor mij hoor ,word gauw weer beter.
liefs Henny en Henk.
RESPECT…..
Ongelooflijk(!) hoe jij dit weer kan beschrijven. Ik zag de bende al voor mij: in de studentenkamers, de té ranzige doucheputjes en aanrechten.
Ik kan mij aansluiten bij Erwin: RESPECT
Geweldig geschreven weer, als dat niet in het Dagblad van het Noorden komt weet ik het ook niet meer…
Dag Lenos,
Met plezier je verhaal gelezen! Wij zijn bij “Pikkeneusie” en hebben jou via Oma al eens ontmoet.
De naam “Huize Bloemendal” zegt mij wel iets. Eind vijftiger jaren kwam ik bij deze familie binnen. Zij waren echte jazz-fans en ik speelde toen met Rein de Graaff (Europees bop-pianist nr.1), Henri de Wolf- trompet, Nico Boekholt-drums, Ferdi Rikkers-contra-bas en genoemde Bas op tenor-sax.
We speelde stukken van de “Jazz Messengers” en …… de familie Bloemendal vond het prachtig.
Met de beste herinneringen in de stad van de Olle Grieze. We hebben het dan wel over een periode van plm. 50 jaar geleden! Waar blijft de tijd? Wij wensen jou het allerbeste en mogelijk tot ziens!
Dag Lenos,
Leuk om te lezen dat jij ook nog steeds verkocht bent aan Stad. Ik heb stad ook tien jaar geleden verlaten.
Bepaalde dingen en zaken uit Stad vergeet je gewoon niet meer.
Als ik in de buurt ben probeer ik bij Knols koek op het Hoendiep langs te gaan. Dat is een van de dingen die ik wel eens mis in de plaats waar ik nu woon. De hoeveelheid koeken die ik mee neem worden er steeds meer. Mening plaatsgenoot kan er mee verrassen, of ze stellen mij zelf de vraag kom je nog weer bij je ouders….
Ik vind het leuk dat je weer bent gaan schrijven en dat je een leuke mix weet te maken van je belevenissen onderweg en de dagelijkse dingen die je tegenkomt.
Leuk verhaal en zal op je koffertje letten als ik op Schiphol ben ;-).
En Groningen is inderdaad mooi en ontdek veel van de stad en provincie door het hardlopen in die omgeving.
En je bent ook een beetje een mug dus kunnen ze je ondertussen wel Mollebonen mug gaan noemen.
Groet Rinus.
Schitterend!