(19.30 uur, vanuit mijn Haarlemse hoofdkwartier, na twee dagen op adem hebben kunnen komen van mijn Israëlische avontuur, reis ik morgen af naar Havana, Cuba)
Op de crew informatie staat naast vijfendertig speciale Koosjere maaltijden, ook nog een andere opmerking vermeld: “Vermijd openbare ruimten als markten en trein- en busstations. Het is voor crew verboden om de stad te verlaten of om met het openbaar vervoer te reizen”. Ai. Ik weet dat dit bedoeld is vanuit veiligheidsoverwegingen. Toch voelt het niet echt prettig. Natuurlijk lees en hoor je veel over het Arabisch-Israëlische conflict in de media. Maar vanuit het veilige Nederland is dat altijd een ver-van-je-bed show. Echter, zou het nu tijdens mijn eerste vlucht naar het Midden-Oosten iets dichterbij komen?
Nee hoor. Niets van dat alles. Tel Aviv heeft op mij de indruk achtergelaten een idyllische kunstzinnige stad te zijn, met vriendelijke mensen, kleurrijke bloemenpracht en een gemoedelijke sfeer. Geen enkel moment heb ik mij onveilig gevoeld.
Voor vertrek had ik hier en daar al wat tips ingewonnen over interessante bezienswaardigheden. Daarbij kwam telkens Jaffa naar voren. Ik kende die naam louter van de sinaasappels, dus na een korte hotelnacht en ontbijt werd dat mijn eerste wandeldoel in Tel Aviv.
Een aangename temperatuur, zonnig warm, met een fijne koele bries vanaf zee. Via het rotsachtige strand kom ik bij het oude stadsgedeelte terecht. Een doolhof van kleine straatjes strekt zich voor me uit. Ik begin zomaar wat links en rechts rond te dwalen. Onderweg stuit ik op een fontein met sculpturen van fantasiewezens en een zwevende sinaasappelboom. Ja echt. Met staalkabels is hij aan de omliggende gevels vastgemaakt. Bijzonder. Maar er is meer. Want Jaffa blijkt een sprookje.
Het is een walhalla voor iedereen die van galerieën, kunstwinkels en tweedehands bric-a-brac boetiekjes houdt. Je kunt het zo gek niet bedenken. Retro televisietoestellen, oude koelkasten, schilderdoeken, houtsnijwerk, grammofoonplaten, vintage jurken, artistieke sieraden, samen gecombineerd tot ware kunstwerkjes verheven. Het is iets waar ik geen genoeg van kan krijgen; dus stap ik binnen bij het Ilana Goor Museum. Tevens het huis van de kunstenares zelf, van oorsprong een toevluchtsoord voor Joodse Pelgrims, dat zij in oorspronkelijke staat heeft gerestaureerd en nog steeds bewoont. Ilana leeft letterlijk met kunst. Haar motto ‘oud met nieuw’ komt duidelijk terug in de materialen die ze gebruikt. Veel hout, leer, stof, metaal, glas… Het huis is tot de nok toe gevuld met (functionele) kunstvoorwerpen. Kunst tot aan de deurklink aan toe.
Ik vervolg mijn ontdekkingstocht door de stad. Als ik een steegje wil inslaan waar gezellige bedrijvigheid lijkt te zijn, word ik tegengehouden door een man met een oortje. Om zijn nek bungelt een pasje aan een keycord, met daarop in grote letters: CREW. Mensen met megafoons lopen af en aan, anderen schenken plastic bekertjes water. Karretjes met verrijdbare cameraopstellingen komen voorbij. Ik blijk midden in een filmopname voor de Amerikaanse televisieserie ‘Homeland’ te zijn beland. Figuranten met verschillende attributen staan achter een muurtje verdekt opgesteld totdat ze ‘toevallig’ het beeld in mogen lopen. Een acteur met hoed en baard zit op een hoge kruk en oefent zachtjes mompelend zijn tekst. Langs zijn slapen parelt zweet. Ik vraag me af of hij een slechterik speelt of de held. In deze scène wordt het tafereel van een traditionele kruidenmarkt verbeeld. Op straat staan pannetjes gloeiende kolen te roken voor het creëren van een mystieke sfeer. Ik word gesommeerd om in de hoek te wachten. Ik kan nog net zien hoe de acteur door het steegje beent, met daar achteraan een horde camera- en geluidsmensen. Geboeid blijf ik staan kijken naar wat er allemaal om me heen gebeurt. Het opname is kort, maar toch nog niet helemaal naar de zin van de regisseur. Met een dik Amerikaans accent roept hij: “Let’s do that again, only this time I want less crowd in the backgound.” Ik neem me voor thuis meteen de serie te gaan kijken.
Tel Aviv is echt een bankjesstad. Overal zijn er op strategische plaatsen deze houten rustplaatsen gecreëerd. De mensen maken er dankbaar gebruik van, zowel toeristen als locals. Aan de boulevard, uitwaaien aan zee. In het park, onder een boom in de schaduw rustig een boek lezen. In de haven, om naar de visssersboten te kijken. Op het plein, om voorbijgangers te spotten terwijl je je ijsje opsnoept. Bij de naastgelegen salon serveren ze de gekste smaken; waaronder halva-ijs. (een lekkernij op basis van sesamzaad, honing en suiker). Natuurlijk strijk ik ook even neer om mijn voeten even rust te gunnen. Eerst zitten we zwijgend naast elkaar, de oude dame en ik. Totdat er een blik van verstandhouding wordt gewisseld. Het luidt het begin in van een ontspannen gesprek over Europa, het klimaat en haar Indiase geboortestad Bombay.
Ik raak niet uitgefotografeerd. En ik ben niet de enige. Op mijn route tref ik regelmatig Joodse bruidsparen die de oude stad ook als decor gebruiken voor een fotoreportage. Op een plein zie ik een professional aan het werk. De bruid poseert voor de camera, prachtig opgemaakt en in sereen wit gekleed. Een wondermooi portret, waar ik maar wat graag een graantje van mee pik. Alle lof is uiteraard voor de Israëlische fotograaf die al het voorwerk (bepaling van het licht, de achtergrond, etc.) voor mij al had gedaan, ik hoefde alleen nog maar af te drukken met mijn eigen G12…*
Deze slideshow heeft JavaScript nodig.
Wat een stad. Met stip hoog binnen in mijn persoonlijke bestemmingen toptien.
-oOo-
De koffer voor Cuba is al weer gepakt. Maar zo dadelijk eerst nog even lekker ontspannen op de bank met een aflevering van Homeland. Benieuwd of ik de baardmans met de hoed nog zie.
*G12 staat voor mijn Canon Powershot G12 camera, die mij sinds een half jaar vergezelt op mijn reizen.











































