101 Sprookjes bestaan nog

(19.30 uur, vanuit mijn Haarlemse hoofdkwartier, na twee dagen op adem hebben kunnen komen van mijn Israëlische avontuur,  reis ik morgen af naar Havana, Cuba)

Op de crew informatie staat naast vijfendertig speciale Koosjere maaltijden, ook nog een andere opmerking vermeld: “Vermijd openbare ruimten als markten en trein- en busstations. Het is voor crew verboden om de stad te verlaten of om met het openbaar vervoer te reizen”. Ai. Ik weet dat dit bedoeld is vanuit veiligheidsoverwegingen. Toch voelt het niet echt prettig. Natuurlijk lees en hoor je veel over het Arabisch-Israëlische conflict in de media. Maar vanuit het veilige Nederland is dat altijd een ver-van-je-bed show. Echter, zou het nu tijdens mijn eerste vlucht naar het Midden-Oosten iets dichterbij komen?

Nee hoor. Niets van dat alles. Tel Aviv heeft op mij de indruk achtergelaten een idyllische kunstzinnige stad te zijn, met vriendelijke mensen, kleurrijke bloemenpracht en een gemoedelijke sfeer. Geen enkel moment heb ik mij onveilig gevoeld.

Voor vertrek had ik hier en daar al wat tips ingewonnen over interessante bezienswaardigheden. Daarbij kwam telkens Jaffa naar voren. Ik kende die naam louter van de sinaasappels, dus na een korte hotelnacht en ontbijt werd dat mijn eerste wandeldoel in Tel Aviv.

Een aangename temperatuur, zonnig warm, met een fijne koele bries vanaf zee. Via het rotsachtige strand kom ik bij het oude stadsgedeelte terecht. Een doolhof van kleine straatjes strekt zich voor me uit. Ik begin zomaar wat links en rechts rond te dwalen. Onderweg stuit ik op een fontein met sculpturen van fantasiewezens en een zwevende sinaasappelboom. Ja echt. Met staalkabels is hij aan de omliggende gevels vastgemaakt. Bijzonder. Maar er is meer. Want Jaffa blijkt een sprookje.

Het is een walhalla voor iedereen die van galerieën, kunstwinkels en tweedehands bric-a-brac boetiekjes houdt. Je kunt het zo gek niet bedenken. Retro televisietoestellen, oude koelkasten, schilderdoeken, houtsnijwerk, grammofoonplaten, vintage jurken, artistieke sieraden, samen gecombineerd tot ware kunstwerkjes verheven. Het is iets waar ik geen genoeg van kan krijgen; dus stap ik binnen bij het Ilana Goor Museum. Tevens het huis van de kunstenares zelf, van oorsprong een toevluchtsoord voor Joodse Pelgrims, dat zij in oorspronkelijke staat heeft gerestaureerd en nog steeds bewoont. Ilana leeft letterlijk met kunst. Haar motto ‘oud met nieuw’ komt duidelijk terug in de materialen die ze gebruikt. Veel hout, leer, stof, metaal, glas… Het huis is tot de nok toe gevuld met (functionele) kunstvoorwerpen. Kunst tot aan de deurklink aan toe.

Ik vervolg mijn ontdekkingstocht door de stad. Als ik een steegje wil inslaan waar gezellige bedrijvigheid lijkt te zijn, word ik tegengehouden door een man met een oortje. Om zijn nek bungelt een pasje aan een keycord, met daarop in grote letters: CREW. Mensen met megafoons lopen af en aan, anderen schenken plastic bekertjes water. Karretjes met verrijdbare cameraopstellingen komen voorbij. Ik blijk midden in een filmopname voor de Amerikaanse televisieserie ‘Homeland’ te zijn beland. Figuranten met verschillende attributen staan achter een muurtje verdekt opgesteld totdat ze ‘toevallig’ het beeld in mogen lopen. Een acteur met hoed en baard zit op een hoge kruk en oefent zachtjes mompelend zijn tekst. Langs zijn slapen parelt zweet. Ik vraag me af of hij een slechterik speelt of de held. In deze scène wordt het tafereel van een traditionele kruidenmarkt verbeeld. Op straat staan pannetjes gloeiende kolen te roken voor het creëren van een mystieke sfeer. Ik word gesommeerd om in de hoek te wachten. Ik kan nog net zien hoe de acteur door het steegje beent, met daar achteraan een horde camera- en geluidsmensen. Geboeid blijf ik staan kijken naar wat er allemaal om me heen gebeurt. Het opname is kort, maar toch nog niet helemaal naar de zin van de regisseur. Met een dik Amerikaans accent roept hij: “Let’s do that again, only this time I want less crowd in the backgound.” Ik neem me voor thuis meteen de serie te gaan kijken.

Tel Aviv is echt een bankjesstad. Overal zijn er op strategische plaatsen deze houten rustplaatsen gecreëerd. De mensen maken er dankbaar gebruik van, zowel toeristen als locals. Aan de boulevard,  uitwaaien aan zee. In het park, onder een boom in de schaduw rustig een boek lezen. In de haven, om naar de visssersboten te kijken. Op het plein, om voorbijgangers te spotten terwijl je je ijsje opsnoept. Bij de naastgelegen salon serveren ze de gekste smaken; waaronder halva-ijs. (een lekkernij op basis van sesamzaad, honing en suiker). Natuurlijk strijk ik ook even neer om mijn voeten even rust te gunnen. Eerst zitten we zwijgend naast elkaar, de oude dame en ik. Totdat er een blik van verstandhouding wordt gewisseld. Het luidt het begin in van een ontspannen gesprek over Europa, het klimaat en haar Indiase geboortestad Bombay.

Ik raak niet uitgefotografeerd. En ik ben niet de enige. Op mijn route tref ik regelmatig Joodse bruidsparen die de oude stad ook als decor gebruiken voor een fotoreportage. Op een plein zie ik een professional aan het werk. De bruid poseert voor de camera, prachtig opgemaakt en in sereen wit gekleed. Een wondermooi portret, waar ik maar wat graag een graantje van mee pik. Alle lof is uiteraard voor de Israëlische fotograaf die al het voorwerk (bepaling van het licht, de achtergrond, etc.) voor mij al had gedaan, ik hoefde alleen nog maar af te drukken met mijn eigen G12…*

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Wat een stad. Met stip hoog binnen in mijn persoonlijke bestemmingen toptien.

-oOo-

De koffer voor Cuba is al weer gepakt. Maar zo dadelijk eerst nog even lekker ontspannen op de bank met een aflevering van Homeland. Benieuwd of ik de baardmans met de hoed nog zie.

*G12 staat voor mijn Canon Powershot G12 camera, die mij sinds een half jaar vergezelt op mijn reizen.

100 Honderd

(22.15 uur, genietend van mijn vrije dagen in Haarlem, met muziek, boeken en fijn gezelschap)

Het voelt officieel als ik in de onderwerpregel van dit bericht het nummer intyp.

Honderd.

Oef, da’s een heleboel. Een getal waar men bij stil staat. Daarom ook het woord in de titel van dit bericht.

-oOo-

Dacht ik naar Dubai al met een grote bemanning (vijftien leden) op pad te zijn, de vlucht naar Accra sloeg werkelijk alles. Een dubbel aantal collega’s meldde zich aan. De ene helft zou de heenvlucht voor haar rekening nemen, de andere helft de terugvlucht. Als de winterschema’s overgaan in die van de zomer, vindt er soms een vliegtuigtypewissel plaats op een bestemming. Dat betekent dus dat er twee volledige bemanningen nodig zijn, aangezien we niet voor alle types gekwalificeerd en getraind zijn.

Passagiers kijken verbaasd op als we ons naar het toestel begeven. Een colonne van gekleurde uniformen, in een lange sliert achter elkaar paraderend. Gonzend. Rollend. Klikklakkend. Vierentwintig personen sterk. Een ware monstercrew.

Ook bij aankomst in Ghana was het een drukte van jewelste, want de normale crewbus was immers niet berekend op zo veel mensen en koffers. Je kunt je voorstellen dat dit tot kluchtige dubbelgevouwen situaties leidde. Proppen, ja hoor, het past net … niet. Een aantal mensen moest apart een taxi nemen om naar het hotel te komen.

Na de heenweg gewerkt te hebben, mocht ik op de terugweg ‘zittend’ naar huis, als passagier. Terwijl ik de stoel comfortabel naar achteren zet, kruip ik in mijn mummieslaapzak. Koptelefoon op en filmpje aan. Op het videoschermpje klimt Tom Cruise zwetend tegen de Burj Khalifa op. Déjà vu! Wanneer was ik daar ook al weer? Vorige week? De geografische jetlag doet zijn intrede. Niet zo gek, als je ook van oost, naar zuid, naar west vliegt.

Heerlijk om eens incognito aan boord te zijn. Niemand die je wat vraagt. “Mevrouw, waar zijn de toiletten?” “Mag ik nog een kopje koffie?” “Mijn baby heeft gespuugd.” “Heeft u oordopjes?” “De film start niet.”  “Die mijnheer snurkt zo luid.” “Hoe zit het met mijn overstap?” “Ik lust geen vis.” “Aan welke gate vertrekt de vlucht naar Moskou?” Niets van dat alles. De vliegtijd is dit maal gevuld met de stunts van Ethan Hunt en een onrustige doezelslaap.

-ooOoo-

Na Accra stond er ‘een Curaçao’ op m’n indeling. Niet meer in de luxe van het passagier-zijn, maar gewoon weer werkende. Tijdens het opstijgen zit ik op een klapstoel die me uitzicht geeft op de machtige vleugels van de vliegende kolos waarin we ons bevinden. Wat is het ook een knap staaltje techniek, om zoveel tonnen gewicht de lucht in te stuwen. Ik heb er nog elke vlucht ontzag voor als ik de vleugels zie omkrullen als we vaart maken over de startbaan. Hoe de wereld krimpt als we hoger en hoger stijgen. Het blijft fascineren.

Uitstappen op Hato Airport brengt een vreemd gevoel van thuiskomen teweeg. Vertrouwd. Warm. Kleurrijk. Gezellig met collega’s. Maar ook lekker tijd voor mijzelf. Ik maak graag een uitstapje naar de onderwaterwereld. Het zachte tikken van het koraal, de harmonie waarin de diversiteit aan vreemdsoortige onderwaterwezens samenleeft. Een gesmoorde kreet in mijn snorkelpijp als ik een zeeslang over de bodem zie glijden. En ‘s avonds, de zonsondergang op het strand, tussen de olielampen in het zand. De lucht beschilderd met vlammende penseelstreken. Onbeschrijfelijk mooi.

Bij terugkomst ben ik lichtelijk geveld door een verkoudheidje. Mijn dagen vrij staan voornamelijk in het teken van rust en ritme herpakken. Vrijdag heen-en-weertje Barcelona. Na het weekend: Tel Aviv.

Ik ben nog láng niet uitontdekt.

099 Eenzame hoogte

(23.42 uur, op het traject Delft – Haarlem, na een fijne dag met familie en dierbaren)

De hoge toren zie je misschien wel van heinde en ver, maar probeer dan nog maar eens de ingang ervan te vinden tussen al die bouwwerken. Met een groepje van vijf collega’s dwalen we in cirkeltjes door de gangen van de enorme Mall. Dure merken schitteren ons tegemoet. De glanzende vloeren worden continu schoongehouden, er ligt geen enkel papiersnippertje.

Onderweg treffen we de gekste dingen. Een plafond waaruit honderden guirlandes met witte vlinders naar beneden dwarrelen, zacht wiegend in de koude stroom voortgebracht door loeiende airco’s. Een gigantisch diepzee aquarium, met haaien, roggen en tropische vissen: gewoon temidden van de winkels. Meerdere duikers dobberen rond. De camera’s van de toeristen flitsen. Omhoogkijkend ontdekken we een sterrenhemel van LEDlampjes. In Dubai is niets te gek.

Voor dat we de toren op gaan nuttigen we een lunch in de Foodcourt van het winkelcentrum. Werkelijk alle keukens van de wereld zijn hier vertegenwoordigd in een take-away versie. Van Thais tot Texmex, van Indiaas tot Junkfood.

Aan het tafeltje tegenover ons zit een echtpaar. De man heeft een snor en gaat gekleed een smetteloos wit gesteven pak (hoe blijft dat toch zo?). Hij draagt een opvallend horloge en glimmende manchetknopen. De sjaal met het rode blokkenpatroon is kunstig om zijn hoofd gedrapeerd, Arafat stijl.

Het is in sterk contrast met de vrouw. Zij is geheel gehuld in een gitzwarte niqaab, de fastfoodfrietjes schuift ze onder haar gezichtsbedekkende sluier door, zonder iets prijs te geven. Het kind jammert, hij heeft liever rijst, dat hem na enkele jengelminuten uiteindelijk ook wordt voorgeschoteld. Voldaan roert hij met zijn handjes door de berg witte korrels.

De toegangstickets voor de Burj Khalifa zijn al dagen tevoren uitverkocht. We hadden mazzel dat de gezagvoerder voor vertrek er al een aantal online had gereserveerd. Met zijn 828 meter tellende lengte is de Burj het hoogste gebouw ter wereld. Daar zijn de Arabieren maar wat trots op. Vele filmpjes op weg naar de top tonen de noeste arbeiders, projectontwikkelaars en ontwerpers die er aan meewerkten.

Als sardientjes zoemen we opeengepakt in een lift door naar de 143e verdieping. Niet helemaal bovenin, maar wat geeft het. Ook nu rijzen we al ver boven van de rest van de omgeving uit. Het uitzicht is indrukwekkend en vervreemdend tegelijkertijd. Industriële hoogstandjes in een stoffig landschap. Het lijkt niet bij elkaar te passen. Er is veel leegstand, de verlaten gebouwen staan er troosteloos bij. Ondertussen worden er nog allerlei bouwprojecten de grond uit gestampt. Hotels en wolkenkrabbers met spiegelende ramen klimmen hoog de hemel in. Het zicht in de verte wordt vertroebeld door een waas van stuifzand en trillend hete lucht.

De atmosfeer is heet en droog. De lapjes groen doen kunstmatig aan. Elk grassprietje hier bestaat bij gratie van een persoonlijke irrigatiesproeier.

Is het mijn wereld? Ik geloof het toch niet. Wel bijzonder om het eens van dichtbij … eh … bovenaf te hebben gezien.

-oOo-

Morgen naar Accra, Ghana, Afrika. Ik reis vrolijk verder en blijf benieuwd.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

097 Hollandse meesters in Canada

(17.15 uur, ondertussen weer aardig hersteld van mijn trans-Atlantisch Canadese vermoeidheid, gereed om de komende dagen weer uit te vliegen naar Europese bestemmingen)

Zes uur tijdsverschil tussen Montréal en Amsterdam. Als we geland zijn op Pierre Elliott Trudeau International Airport is er op de klok effectief nog maar een half uur verstreken sinds vertrek. Gek idee. En waarom de afkorting YUL staat voor Montréal is voor mij ook een raadsel. AMS voor Amsterdam snap ik, CDG voor Parijs – Charles de Gaulle ook, maar YUL? Omdat ik al de gehele vlucht mij wat ‘under the weather’ voel, duik ik ondanks dat het nog maar middag is toch meteen mijn hotelbed in. Slaap is het beste medicijn voor alles.

En inderdaad, de dag erna voel ik me weer zo kwiek als een hoentje. Na een Hollandse nacht welteverstaan. Want hier in Montréal, Québec is het nog maar vijf uur ‘s nachts. Rustig wakker worden, wat lezen en aanrommelen. Als ik naar buiten stap ben ik een van de eersten. Er is werkelijk waar nog geen (paas)kip op de weg. De grote brede straten zijn uitgestorven. Ik zuig mijn lijf vol met verse ochtendlucht. Het fijne ‘Chez Cora’ ontbijtzaakje een paar straten verderop gaat open om zeven uur. Als de deuren zich openen schuif ik aan in een verder nog leeg restaurant. Heerlijk, wat een rust. Het fruitsap en de grote bak granola smaken me goed. De hele dag ligt nog voor me.

Ik besluit tot een wandeling richting Mount Royal. De grote heuvel midden in de stad, waarvandaan je een prachtig uitzicht moet hebben over de stad. Al gauw merk ik dat ik toch niet de enige vroege vogel ben. Onderweg tref ik groepen joggers en hondenuitlaters. Felgekleurde trainingsbroeken en glanzende hardloopshirts tussen de grauwe bomen van het park. De winter heeft nog maar pas zijn uittrede gedaan. Het is af en toe nog best guur. Er ligt her en der een verdwaalde sneeuwhoop. Eekhoorntjes trippelen door de dorre bladeren op zoek naar voedsel. Een specht ratelt tegen een holle stronk. Ik loop mezelf warm. Klim naar de top, pontificaal gesierd  door een groot gietijzeren kruis. Geniet van het uitzicht en huppel na anderhalf uur weer de tientallen trappen en paadjes naar beneden.

Het is pas half tien. Ik schuif nog even aan bij het ontbijt in het hotel, waar ik mijn collega’s tref. Samen drinken we een kop koffie. Waarna ik me aansluit bij een klein groepje die een mooie expositie in de buurt gaat bezoeken. Musée des beaux-arts de Montréal. Een enorm complex met tig verschillende zalen. Van beelden tot schilderijen, van Middeleeuws tot Modern. Maar wat zie ik daar? Die kerk komt mij wel heel bekend voor.

Ik kijk dichterbij. En inderdaad, het is de Sint Bavo. Want het bijschrift leert: ‘Champs de blanchiment près de Haarlem – vers 1670, Jacob van Ruisdael’. En daar, wacht, is dat niet … Jep, Rembrandt. Zijn licht en techniek zijn kenmerkend. Ondanks die 5500 km voelt Nederland even heel dichtbij.

Na een aantal uren ronddwalen hebben we nog niet alles gezien (maar al wel een van de gouden tronen en de karakteristieke hoed van Napoleon). De rest bewaar ik voor een volgende keer. Net zoals Vieux-Montréal. Wat een interessante stad. Er is zo veel te doen. Ik loop nog even door de gezellige Crescent Street – of is het Rue Crescent, met zijn vele barren en boetiekjes – alles gaat hier in twee talen. Het Frans voorop. Ik haal nog even gauw een portie take-away Thais. Om daar weer het bekende riedeltje te volgen. Voorslapen, de nacht door, de Atlantische Oceaan over, terug naar huis.

-oOo-

Morgen en overmorgen even kort terug op Europese bodem, na een groot aantal verre trips achter elkaar. Met retourtjes Manchester en Göteborg. Om maandag weer naar Delhi af te reizen. Ik kan me nu al weer verheugen op dat heerlijke eten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

096 Helden van dichtbij

(23.15 uur, vanuit mijn Haarlemse Hoofdkwartier, ik sta op het punt om naar bed te gaan, even een goede nacht trachten te maken, want morgen vlieg ik weer uit)

Afgelopen weekend zette ik voor de tweede maal voet op Indiase bodem. Voor de tweede maal, maar zeker niet minder aangrijpend en bijzonder. Nog in Atlanta ontving ik al een mail van een mede Delhi collega. Zij liep met het plan rond om een vroege fietstocht door het oude ommuurde centrum te gaan maken, en vroeg zich af of er nog andere gegadigden onder de crew waren. Aangezien ik immer te porren ben voor een leuke activiteit, sloot ik me aan bij de club van de ochtendfietsers.

En zo geschiedde. Na een acht uur durende vlucht – één uur ‘s nachts lokale Delhi tijd – namen we onze hotelkamerpasjes in ontvangst. Om na slechts een paar korte uren slaap al weer met kleine oogjes op de fiets te stappen. Vroeg, want dan was het nog niet zo warm. Vroeg, want dan was de drukte in het verkeer nog enigszins te overzien. Oranje fietsen, ook dat nog. Rare jongens, die Hollanders.

Onze Nepalese gids ging ons voor, door de stoffige steegjes van de oude stad. Gelegenheid om in slaap te vallen was er niet. Het was zaak om je ogen niet in je zak te hebben. Geiten, honden, kinderen en aanverwante artikelen staken kriskras de straat over. Daarnaast waren de houten karren met groenten en varkenskoppen, rammelende riksja’s, slingerende tuktuks en de kuilen in het asfalt nog slechts enkele van de obstakels die we tegenkwamen op ons pad. Ondertussen ook nog wat van de omgeving proberen te zien en foto’s maken, het is een hele opgave.

We stopten om ontbijt te nuttigen bij Karim’s Restaurant, krakend verse roti en pittige dahl van gele linzen met komijn. Lekker met je handen. Waarom doen we in Nederland dat niet wat vaker?

We vervolgen onze tocht. Het wordt maar weer eens duidelijk hoezeer het leven zich hier op straat afspeelt. Bij een waterpomp wordt gewoon op straat tandengepoetst en gewassen. Zelfbenoemde barbiers hangen een spiegel op een spijker in een muurtje, zetten er een stoel voor en gaan aan de gang met schaar, kwast en scheerzeep. Twintig roepies voor een knipbeurt plus hoofdmassage, een van de weinige veroorloofbare luxes voor de lokale bevolking.

Bij de Yamuna rivier is het ook in de ochtend een al bedrijvigheid. Een man dobbert rond op een zelfgemaakt vlot en vist her en der bruikbaar afval uit het water. Anderen nemen een bad, offeren rijst en bloemen op drijvende schaaltjes of steken kaarsjes aan. We zijn er getuige van hoe het hoofdje van een baby wordt kaalgeschoren, maar de reden hierachter blijft voor ons als Westerlingen onduidelijk. Nu thuis biedt Google ook geen eenduidige uitkomst. Ik vermoed dat het ook iets met offeren te maken heeft.

Van mijn zus, die eerder een lange rondreis door India maakte, leerde ik dat het wordt gewaardeerd om anderen laten delen in je rijkdom (voedsel). Dus toen we halt hielden voor een verademende chaithee pitstop brak ik stukken van mijn Hollandse mueslibol af voor het theemannetje en onze twee fietsgidsen. Allen wilde maar wat graag het ‘Dutch bread’ proeven. ‘It’s soft! And sweet!’ Als je in Nederland zou vragen, ‘wil je een hap van m’n boterham’ zou je daarentegen eerder raar worden aangekeken.

Het middaguur breekt aan. De zon brandt inmiddels fel aan de hemel. Het verkeer is uitgegroeid tot een bonte toeterkakofonie aan uitlaatgassen. Het luidt het einde in van onze drie-urige tocht. Voordat we terugkeren maken we nog een rondje door het Gandhi museum, in India liefkozend ‘Bapu’ (vader) genoemd. In één week heb ik nu drie van de grote helden der aarde van dichtbij mogen meemaken. Naast de nog levende legende McCartney en Dr. Marten Luther King, nu ook Mahatma Gandhi. Het is onwerkelijk. Maar ik voel me bevoorrecht.

Moe maar voldaan laten ons terug scheuren in een van de geelgroene tuktuk bromscootertjes. In het hotel snuit ik puur zwart stof in een zakdoek.

-oOo-

Over anderhalve week mag ik weer. Maar eerst staat er dit weekend een vlucht naar Montréal, Canada voor me in de planning. Deze maand ga ik kriskras over de wereldkaart: van West (Atlanta) naar Oost (Delhi) via West (Montréal), weer naar Oost (Delhi en Dubai). Houden jullie het nog bij? Ik volg het zelf amper.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

095 Georgia on my mind

(17.12 uur, nog amper goed en wel bekomen van mijn Ahoy- en Atlanta avontuur, vlieg ik morgen al weer uit naar de andere kant van de wereld; New Delhi, India)

Aan boord lees ik glimlachend de recensies van afgelopen zaterdag in de krant. Het had nog heel wat voeten in de aarde. Tot de dag tevoren was het spannend of het zou lukken. Maar uiteindelijk mocht ik toch, dankzij de welwillendheid van een van de vluchtindeelsters. Ik was erbij. Ahoy schudde op zijn grondvesten. En ik zinderde mee. Na afloop mijn handen beurs geklapt en stem schor gezongen. Paul McCartney live, het was fantastisch. Een passagier komt thee vragen. Ik schenk een bekertje voor hem in, terwijl ik zachtjes de openingstonen van ‘Hello Goodbye’ neurie.

Het is vroeg in de ochtend. Nog geen vijf uur geleden stegen we op in Atlanta, Georgia, USA. De ovens zetten zich ondertussen zoemend in werking. Het achterste gedeelte van het vliegtuig vult zich langzaam met de geur van ei en gebakken broodjes. Over een half uur zullen we ‘er in gaan’ (lees: aanvangen) met het ontbijt. Dus ik prik ook alvast koffieblikken in de machines, dan kunnen die alvast doorlopen.

Het was een rustige vlucht. Door de nacht heen is dat het meestal. We houden onszelf wakker met een krantje, even ‘buurten’ bij de collega’s voorin of een ronde met sapjes door de cabine. Boven de oceaan was vanuit de cockpit prachtig het noorderlicht zichtbaar. Het leek een wazige gloed, een schijnsel dat zich in een langwerpige band net boven de horizon uitstrekte, continu veranderend van intensiteit en vorm. Dit ging vergezeld van een kraakheldere hemel dicht bezaaid met sterren. Vallende meteoren trokken een kort lichtspoor. Ik drukte mijn voorhoofd tegen het glas. Een adembenemend moment op 38.000 voet hoog. Wauw.

De 24 uur ter plaatse in Atlanta gingen snel. Van tevoren had ik mij al even ingelezen in de mogelijke korte tripjes die een ochtendvullend programma zouden vormen. De middag wilde ik gebruiken voor een lichte lunch en een aantal voorslaap uurtjes. Tijdens het ontbijt met muffins en cereal peilde ik de animo onder de crew. Een geïnteresseerde collega voegde zich bij me en we kozen voor een bezoek aan de Martin Luther King National Historic Site.

De MARTA metro dienst bracht ons er middels een overstap op Five Points binnen de kortste keren. Een ritje met het openbaar vervoer in het buitenland vind ik vaak al een belevenis op zich. Uitvogelen hoe het systeem van de kaartjes werkt, uitzoeken welke lijn en halte je moet pakken. En dan tussen de locals het onbekende landschap doorzoeven naar je gekozen bestemming. Next stop: King Memorial, exit on your right please.

Maandagochtend. Rustig op straat. De temperatuur buiten is zonnig en aangenaam. Terwijl we door de buurt lopen, laten we ons overweldigen door het levensverhaal dat destijds een radicale omwenteling betekende, maar ook tegenwoordig nog een zeer actueel thema is. Een moment van bezinning is er in de Ebenezer Baptist Church, waar Dr. King zijn diensten predikte. Twee bankrijen achter me is een geüniformeerde Park Ranger verzonken in zijn gebed. Om even later met zijn blindengeleidehond de kerk op de tast te verlaten. Het graf van dominee King is sober, in het midden van een blauw bassin ligt hij begraven naast zijn vrouw, omringd door kleurig bloeiende bloesembomen. Lente ten voeten uit. Ieder met onze eigen gedachten nemen we de blauwe lijn weer terug in dezelfde richting als we gekomen waren.

Voordat ik ga slapen duik nog even de grote Lenox Mall in. Haal een burrito en paar peanutbutter cookies. Niet lang daarna wandel ik al slurpend uit een maxiformaat beker, gevuld met een smoothie en tinkelend crushed ice terug naar het hotel. Wat een land.

Ik word uit mijn overpeinzingen gehaald door het gepiep van de ovens en pruttelende versgezette koffie. We zijn er bijna nu. De laatste nachtelijke loodjes. Ik bouw de trolleys op voor de service en wederom verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. Ik voel me een zondagskind dat op een woensdag geboren is.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Extra info bij de foto’s: Macca live: vuurwerk en confettisnippers uit het plafond; King mememorial: MARTA signs, M.L.’s leven in een muurschildering, zoek de echte mensen tussen de poppen.

093 Jambo Afrika!

(15.05 uur, zojuist achter mijn computer gekropen met een dampende kop Tanzaniaanse thee)

Jambo lieve lezers! Ik weet het. Waar zit ze toch? Afgelopen weekend druk met het vieren van m’n verjaardag. Fijn om onder familie en vrienden te zijn. Maar jullie hadden nog een verhaal plus foto’s te goed van mijn eerste Afrikaanse uitstapje. Bij deze.

We vertrokken in de ochtend vanuit Amsterdam. Aan boord veel kaki afritsbroeken en tropenhelmen. Niet zo gek als je bedenkt dat Tanzania bekend staat om zijn indrukwekkende natuur. De Ngorongroro vulkaankrater, het Serengeti wildreservaat en Kilimanjaro berg zijn slechts enkele van de prachtige locaties die het land rijk is. Bekende namen voor wie wel eens National Geographic channel heeft opstaan. Ik zal het nog even aan me voorbij moeten laten gaan. De twintig uur ter plaatse zijn veel te kort om én uit te rusten én op een spannende safari te gaan. Dus de enige wilde dieren die ik zag waren de houten giraffes en olifanten in de hotellobby.

Het is midden in de nacht als ik de eerste stappen op Afrikaanse bodem zet. Pikdonker. En nog broeierig warm. In een bus met ijskoude airco worden we naar het hotel gereden. De dag erna kijk ik uit mijn raam. Pas dan zie ik waar ik terecht ben gekomen. Op straat gonst het al vroeg al van de activiteit. Brommertjes en pick-up trucks snorren voorbij. In de schaduw van een boom staat een groepje mensen te praten. Een dame steekt de straat over, terwijl er een enorme ton op haar hoofd balanceert. Na een eenvoudig ontbijt trek ik er met mijn camera op uit voor een rondje door de buurt. Iedereen die je tegenkomt begroet je vriendelijk glimlachend met ‘karibu!’. In de veronderstelling dat dit ‘hallo’ betekent, roep ik het de rest van de dag net zo enthousiast terug. Later leer ik echter dat het Swahili is voor ‘welkom’ … Dat verklaart ook waarom ik soms met een frons en een lach werd nagekeken.

Ik kom terecht op een lokale markt, waar handgemaakte waren aan toeristen worden verkocht. Dit is andere koek dan ‘Made in China’ plastieken souvenirs. Kleurrijke schilderijen, sierlijk houtsnijwerk en kunstig gevlochten rieten manden. Wetende dat ik haar er een plezier mee doe, neem ik een grote boodschappenvariant mee voor m’n moeder. Hij past maar net in mijn koffer.

Na een paar struinuurtjes en hier en daar wat foto’s is het al weer tijd om ‘voor te slapen’ voor de terugvlucht de nacht door. Het weinige wat ik van het land heb kunnen zien heeft al indruk op me gemaakt. De vriendelijkheid van de goedlachse mensen is hartverwarmend. Ik hoop er dan ook zeker nog een keer terug te mogen komen, misschien dan wel wat langer …. op vakantie bijvoorbeeld.

-oOo-

Deze week weer dichter bij huis. Retourtje Parijs en Manchester. Zaterdag vangt m’n tweeweekse stand-by aan. Benieuwd waar ik dan weer terechtkom …

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

087 Amerikaanse bollenblues

(11.30 uur, vanuit het Noorden des Lands, waar de drassigheid langzaamaan oplost)

“GELUKKIG NIEUWJAAR!” Na het aftellen kunnen we eindelijk proosten. De plastic bekertjes klinken misschien niet zo als een kristallen flûte, maar het maakt de start van het nieuwe jaar er niet minder op. Het is nog licht. Mijn horloge geeft drie uur ‘s middags aan. Er pingelen sms’jes binnen met nieuwjaarswensen uit Nederland. Ik word omhelsd en gekust door mensen die ik nog maar net een half etmaal ken. Overal komen oliebollen tevoorschijn. De een tovert een papieren zak uit een trolley terwijl een ander met een doos van de Nederlandse bakker op de proppen komt. Andere gasten in de hotellobby kijken ons enigszins vreemd aan. En ik moet ze gelijk geven, want wie heeft ooit bedacht dat gefrituurde deegballen met bubbelwijn een goede combinatie is?

2011 mag dan misschien voorbij zijn in Nederland, dat is nog niet het geval op de plek waar ik me nu bevind. Lang sta ik echter niet stil bij dit bijzondere fenomeen. We hebben er een werkdag van ruim veertien uur op zitten. Dus na de toost op een nieuw begin kruipen we eerst voor een paar uur onze bedjes in.

“HAPPY NEWYEAR!!” Negen uur later vult luid gejoel de kades van Pier 14. Voor onze ogen voltrekt zich een kleurrijk schouwspel in de lucht. Vanaf een boot in de San Francisco Bay wordt onder aanmoediging van het toegesnelde publiek het prachtigste vuurwerk de lucht in geschoten. We laten nogmaals het oude jaar achter ons. Het nieuwe moet nu wel dubbelgoed worden. Mannen op skates in gekke outfits zwieren tussen de toeschouwers door. Amerikaanse ‘gillende keukenmeisjes’ zetten zichzelf op de de foto; op hun hoofden prijken ‘Happy 2012′-brillen met knipperende LED-lampjes. Dit alles tegen de achtergrond van de fraai verlichte Oakland Bay Brigde. Een goede start.

Bekijk het nieuwe jaar eens door een gekke bril!

-oOo-

De terugkomst uit San Francisco is al weer meer dan een week geleden, maar de bijkomstige jetlag heb ik nog maar net achter me gelaten. Een flinke omschakeling voor een korte-afstand vliegster als ik. Plots doorkruis ik tijdszones en ganse continenten. Ben ik zomaar ineens 24 uur op. Werk ik als anderen slapen. Slaap ik als anderen werken. Nu doorgewerkte nachten zich een aantal maanden opstapelen moet ik toegeven dat het me niet in de koude kleren is gaan zitten. Dat merk ik des te meer nu ik mijn vakantie van start is gegaan.

Afgelopen week was natuurlijk HET weer bij uitstek voor het laten overwaaien van trans-Atlantische katers. Dus na het herpakken van een gemiste nacht in mijn eigen bed, stap ik in de auto en rijd ik ik naar Zeeland. Onstuimige golven kletteren op basaltblokken. Vrachtschepen deinen vervaarlijk heen en weer. Op het nieuws verhalen over hoogwater, sijpelend dijkkwel en geëvacueerde koeien. De wind huilt langs de huizen. Ik laat me overhalen tot een strandwandeling. Op zee trotseren ingepakte marsmannetjes de schuimkoppen op hun surfboards. Da’s nog eens andere koek dan als groentje op de plank in Panama. Dit is niet voor mietjes. We bikkelen verder tegen de sterke Zuidwester in. Het traanvocht blaast naar de hoek van mijn oogkassen. Ah fijn, de beschutting van een paviljoen. We laten ons van binnen verwarmen door warme choco en glühwein terwijl we genieten van een optreden van aanstormend lokaal talent Eva Auad.

En nu dus: nog meer vakantie. Momenteel in Groningen. In de planning staat een weekendje Breda met zus en een bezoek aan het Engelse Brighton. Even een paar weken vliegloos met beide benen op de grond.

Ik wil de trouwe aanhang en al mijn collega’s van het afgelopen jaar bedanken voor de fijne momenten die ik met jullie heb mogen delen. Gaan jullie ook in 2012 weer met me mee in een jaar vol ontdekkingen, bijzondere reizen en ontmoetingen?

086 Onvoltooid verleden tijd

(22.45 uur, twee dagen na de kerst, drie dagen na de terugkomst uit Havana)

Ik loop inmiddels al weer een tijdje rond in het Hollandse grijs, maar er gaat geen dag voorbij dat ik niet nog even terugdenk.

Het verschil is groot. En dat zit ‘m niet alleen in de temperatuur. Maar in alles.

Vanuit de gestandaardiseerde moderne vliegtuigcabine stap ik de onvoltooid verleden tijd binnen. Cuba staat al jaren boven aan mijn reiswensenlijst. Onvoorstelbaar dat ik er nu echt ben. Dat het echt bestaat. Is het wel echt? Ik zit bij het raam, met mijn neus tegen het glas geplakt. Ik knijp regelmatig even mijn ogen dicht. Als ik ze weer open doe zie ik nog steeds hetzelfde. Ik heb het gevoel dat het filmdoek een keer moet vallen. Maar het gebeurt niet. Vervlogen tijden zijn hier nog ontzettend hedendaags. De taxirit naar het hotel is mijn eerste kennismaking met deze nieuwe oude wereld. De nieuwsgierigheid is aangewakkerd, en niet zo’n beetje ook.

De kennismaking wordt vervolgd met een verfrissende versnapering op het idyllische Plaza de Cathedral, direct na de vlucht. Even op adem komen en acclimatiseren na een lange dag werken. Het land zit nog een laatste van dag rouw uit, vanwege het overlijden van kameraad Kim Jong-Il. Het is rustig op straat en kerstversiering is nog maar mondjesmaat aangebracht. Niet lang na het tweede rondje beginnen de oogleden zwaar te worden en wordt het tijd om m’n vermoeide lijf rust te gunnen.

Uitgeput arriveer ik bij mijn hotelkamer. Ik trek de nachtpon uit mijn valies en zet een korte tandenpoetssessie in gang. Ik ben me slechts vaag bewust van koude spetters op mijn blote enkels. Een loom spiegelbeeld staart me terug aan. Wacht eens even, spetters? Ik kijk omhoog en ontwaak lichtelijk uit mijn dommeltoestand. Er sijpelt water langs de lamp naar beneden. De badkamervloer staat blank. Het tapijt is zompig. Kringen op het plafond. Wat is dit? Ik ben nog steeds moe, maar plots heel alert. Ik hoor geluiden van klotsende watergolven op de etage boven me. Nee toch. Ik bel de receptie. De dame verontschuldigt zich. Er is niets aan te doen. Stilletjes verwensingen mompelend verzamel ik mijn hebben en houwen weer bij elkaar. Zoef de lift in naar beneden. In pyjamadracht stoffel ik de hotellobby door en neem ik het nieuwe kamerpasje in ontvangst. Om binnen de kortste keren in slaap te vallen op hotelkamer nummer twee.

Ik word bijtijds wakker. Op het dak ben ik getuige van de zonsopkomst boven het nog stille Havana. Stil zal het niet lang meer zijn. Havana ontwaakt en is vol van geluiden. Drommen enthousiaste mensen bij een katholieke processie. Ronkende pruttelmotoren van oude Buicks, Chevy’s en Lada’s. Gonzende gesprekken en glazengerinkel op de terrassen. Kenmerkende klanken van traditioneel Cubaanse instrumenten die opdoemen uit de verte. De claves (ritmisch tikkende stokjes) en de raspende guayo (uitgeholde kalebas die wordt beschraapt met een stokje) herken je onmiddellijk. Ze lokken ons de gezellige tentjes en barretjes in. Ook ik, als a-ritmische Hollandse, word verleid om een riedeltje mee te doen op het podium. Prompt krijg ik de holle kalebas in handen gedrukt en voor ik het weet sta ik mee te schrapen op ‘Oye como va; mi riiittmo; bueno pa’ goza‘. Dansen is voor de lokale bevolking dé uitlaatklep om te ontsnappen aan de sleur van alledag.

Che is de nationale held. Zijn beeltenis vind je overal door de stad op muren en schilderdoeken. De koloniale panden zijn indrukwekkend, maar ze lijken af te brokkelen terwijl je er naar kijkt. Bij sommige ontbreken ramen en muren of groeien er hele bomen uit het dak. De grote gaten in de weg laten menig onoplettende vakantieganger regelmatig struikelen. Afgerekend wordt er in twee verschillende valuta’s; de dure toeristische CUC en de enkel voor locals bestemde Peso. Alleen wie de speciale trucjes kent, kan in buitenwijken hopen een paar biljetten met de beeltenis van Guevara te bemachtigen. Ik zie een bekende gele Den Oudsten bus rijden; al tientallen jaren met dezelfde bestemming waar-ie vermoedelijk nooit meer zal aankomen: Susteren.

De stad vertelt kronieken en ademt geschiedenis, waar nog dagelijks meer van geschreven wordt. Aan alles kleeft een verhaal, een rariteit of wetenswaardigheid. Zo niet, dan wordt er eentje verzonnen. Mij hebben ze. Van alle intercontinentale trips komt deze fotogenieke stad beslist met stip op één.

-oOo-

Ik vlieg vrolijk verder. Mijn volgende bestemming: San Francisco tijdens de jaarwisseling. Oliebollen in mijn rolkoffertje.

Intens gelukkig.

085 Kortstondig beleven

(11.45 uur, de laatste week voor kerstmis)

Onderweg gebeurde er weer van alles. Zo moesten we op een van de vluchten het zonder glazen en bekertjes stellen en lieten we  daarom iedereen maar uit blik of fles drinken. Op een andere vlucht werden we geconfronteerd met een medisch incident aan boord. Als we dan een verzoek doen om de assistentie van medisch geschoold personeel, is er altijd wel iemand aanwezig met kennis van zaken. Geluk bij een ongeluk. Is het geen arts, dan wel een in opleiding of een verpleegkundige. Natuurlijk hebben we zelf ook ons EHBO diploma, maar extra kennis en kunde is soms echt wel noodzaak. Samen trokken alle registers open, temperatuurden, maten bloeddruk en hielden de situatie goed in de gaten. Gelukkig bleef de toestand stabiel en landden we gewoon veilig met de patiënt op Schiphol.

Onderweg naar Boekarest communiceerden we met handen en voeten vanwege de taalbarrière. Verbaasden we ons over gebruiken en lachten we om gemeenschappelijke non-verbale grappen. Er was eens ouder echtpaar dat voor het eerst vloog. Ze keken hun ogen uit. Ik legde ze in de watten met een paar extra koekjes, een glimlach en een dubbele boterham. De man straalde en hakkelde vol overgave: “Mulțumesc …  You Very Good Lady…!”  Ik leerde ‘la revedere’ voor ‘tot ziens’ in het Roemeens.

-oOo-

Lissabon was genieten. Dit keer hoefde ik niet in mijn eentje op pad. Een collega haakte bij me aan, nog een paar uur na het ontbijt ter plaatse. Zo rond een uur of twee zouden we weer uitvliegen. Nog wat onzeker over het weer, verlaten we het hotel met winterjas en sjaal. Niet lang daarna hangen deze al over de arm en dragen we ze de rest van de wandeling met ons mee. Het weer was zonnig zacht, lenteachtig haast. We zien vakkundige schoenenpoetsers aan het werk, terwijl ik verder slof op mijn stoffen gympies. De kenmerkende kabeltrams rijden af en aan. Op elke straathoek vind je wel een kastanjepofmannetje met zijn gloeiendhete ketel. Al van ver zie je de rookpluimen tussen de huizen opstijgen. We lopen door brede en smalle straten, zien de zee en drinken koffie op een terras. Bij de bakker halen we verrukkelijk verse pastéis de nata; taartjes van verse room en eieren omhuld met krakend deeg.

Terug in het hotel verruil ik mijn privé ‘burger’ kleding voor mijn werkoutfit. Tot mijn verdriet leer ik van de lokale televisie dat Cesária Évora is overleden. De moeder van de Kaapverdiaanse ‘Morna’ die haar gevoelige levensliederen immer rokend en blootsvoets ten gehore bracht. Haar muziek draai ik al jaren.

Aberdeen was guur. Het contrast was groot de dag erna. Dik ingepakt in mijn windjack klem ik mijn verkleumde vingers om de camera. Ik kan het niet laten hier en daar een paar plaatjes te schieten. Ook hier zie ik de zee. Ruim tweeduizend kilometer verderop en van geheel andere aard. Grijs en geruisloos. Ik glibber over de ijzelgladde straten en knisper door met rijp bezette dorre bladeren. Tussen de natte sneeuwbuien door schijnt de zon puur goud. Opwarmen doe ik graag terwijl ik snuffel langs de eindeloze schappen in grote boekenwinkels. Buiten luister ik naar de kerstliedjes die de Salvation Army band speelt en schuifel ik langs de kraampjes van de decembermarkt. Ik haal nog gauw even een ansicht voor op de reismuur.

Boekarest was een bliksembezoek. Om 1 uur ‘s nachts kwamen we aan en de dag erna vertrokken we al weer om 11.30 uur. De stad  was één bontgekleurde verzameling van kerstlampjes. Vanuit mijn raam kon ik het immens grote Ceauşescu Paleis zien. Aan het ontbijt wist mijn collega hier allerlei bizarre wetenswaardigheden over te vertellen. Zo blijkt het een van de grootste gebouwen ter wereld. Terwijl ik mijn eitje pel vertelt hij dat voor de bouw destijds uit ruimtegebrek hele woonwijken met de grond gelijk werden gemaakt. Het paleis bestaat uit duizenden vertrekken en geheime ondergrondse gangenstelsels. Tegelijkertijd herinnert het de bevolking ook nog dagelijks aan het pijnlijke verleden dat het land met zich meedraagt. Geïntrigeerd nip ik van mijn koffie. Het monsterachtige gebouw is ook open voor publiek. Helaas is de tijd te kort om het vandaag nog te bezoeken. Het gaat op de lijst voor de volgende keer.

-oOo-

Bij terugkomst in Nederland plak ik de kaarten op de muur en draai ik de muziek van de landen waar ik ben geweest. Van Portugese Fado tot de Roemeense Klezmer, ga ik nogmaals in klank op reis.

Ondertussen ben ik al weer aan het bedenken wat er mee gaat in mijn kerstkoffer naar … Havana, Cuba.