087 Amerikaanse bollenblues

(11.30 uur, vanuit het Noorden des Lands, waar de drassigheid langzaamaan oplost)

“GELUKKIG NIEUWJAAR!” Na het aftellen kunnen we eindelijk proosten. De plastic bekertjes klinken misschien niet zo als een kristallen flûte, maar het maakt de start van het nieuwe jaar er niet minder op. Het is nog licht. Mijn horloge geeft drie uur ‘s middags aan. Er pingelen sms’jes binnen met nieuwjaarswensen uit Nederland. Ik word omhelsd en gekust door mensen die ik nog maar net een half etmaal ken. Overal komen oliebollen tevoorschijn. De een tovert een papieren zak uit een trolley terwijl een ander met een doos van de Nederlandse bakker op de proppen komt. Andere gasten in de hotellobby kijken ons enigszins vreemd aan. En ik moet ze gelijk geven, want wie heeft ooit bedacht dat gefrituurde deegballen met bubbelwijn een goede combinatie is?

2011 mag dan misschien voorbij zijn in Nederland, dat is nog niet het geval op de plek waar ik me nu bevind. Lang sta ik echter niet stil bij dit bijzondere fenomeen. We hebben er een werkdag van ruim veertien uur op zitten. Dus na de toost op een nieuw begin kruipen we eerst voor een paar uur onze bedjes in.

“HAPPY NEWYEAR!!” Negen uur later vult luid gejoel de kades van Pier 14. Voor onze ogen voltrekt zich een kleurrijk schouwspel in de lucht. Vanaf een boot in de San Francisco Bay wordt onder aanmoediging van het toegesnelde publiek het prachtigste vuurwerk de lucht in geschoten. We laten nogmaals het oude jaar achter ons. Het nieuwe moet nu wel dubbelgoed worden. Mannen op skates in gekke outfits zwieren tussen de toeschouwers door. Amerikaanse ‘gillende keukenmeisjes’ zetten zichzelf op de de foto; op hun hoofden prijken ‘Happy 2012′-brillen met knipperende LED-lampjes. Dit alles tegen de achtergrond van de fraai verlichte Oakland Bay Brigde. Een goede start.

Bekijk het nieuwe jaar eens door een gekke bril!

-oOo-

De terugkomst uit San Francisco is al weer meer dan een week geleden, maar de bijkomstige jetlag heb ik nog maar net achter me gelaten. Een flinke omschakeling voor een korte-afstand vliegster als ik. Plots doorkruis ik tijdszones en ganse continenten. Ben ik zomaar ineens 24 uur op. Werk ik als anderen slapen. Slaap ik als anderen werken. Nu doorgewerkte nachten zich een aantal maanden opstapelen moet ik toegeven dat het me niet in de koude kleren is gaan zitten. Dat merk ik des te meer nu ik mijn vakantie van start is gegaan.

Afgelopen week was natuurlijk HET weer bij uitstek voor het laten overwaaien van trans-Atlantische katers. Dus na het herpakken van een gemiste nacht in mijn eigen bed, stap ik in de auto en rijd ik ik naar Zeeland. Onstuimige golven kletteren op basaltblokken. Vrachtschepen deinen vervaarlijk heen en weer. Op het nieuws verhalen over hoogwater, sijpelend dijkkwel en geëvacueerde koeien. De wind huilt langs de huizen. Ik laat me overhalen tot een strandwandeling. Op zee trotseren ingepakte marsmannetjes de schuimkoppen op hun surfboards. Da’s nog eens andere koek dan als groentje op de plank in Panama. Dit is niet voor mietjes. We bikkelen verder tegen de sterke Zuidwester in. Het traanvocht blaast naar de hoek van mijn oogkassen. Ah fijn, de beschutting van een paviljoen. We laten ons van binnen verwarmen door warme choco en glühwein terwijl we genieten van een optreden van aanstormend lokaal talent Eva Auad.

En nu dus: nog meer vakantie. Momenteel in Groningen. In de planning staat een weekendje Breda met zus en een bezoek aan het Engelse Brighton. Even een paar weken vliegloos met beide benen op de grond.

Ik wil de trouwe aanhang en al mijn collega’s van het afgelopen jaar bedanken voor de fijne momenten die ik met jullie heb mogen delen. Gaan jullie ook in 2012 weer met me mee in een jaar vol ontdekkingen, bijzondere reizen en ontmoetingen?

086 Onvoltooid verleden tijd

(22.45 uur, twee dagen na de kerst, drie dagen na de terugkomst uit Havana)

Ik loop inmiddels al weer een tijdje rond in het Hollandse grijs, maar er gaat geen dag voorbij dat ik niet nog even terugdenk.

Het verschil is groot. En dat zit ‘m niet alleen in de temperatuur. Maar in alles.

Vanuit de gestandaardiseerde moderne vliegtuigcabine stap ik de onvoltooid verleden tijd binnen. Cuba staat al jaren boven aan mijn reiswensenlijst. Onvoorstelbaar dat ik er nu echt ben. Dat het echt bestaat. Is het wel echt? Ik zit bij het raam, met mijn neus tegen het glas geplakt. Ik knijp regelmatig even mijn ogen dicht. Als ik ze weer open doe zie ik nog steeds hetzelfde. Ik heb het gevoel dat het filmdoek een keer moet vallen. Maar het gebeurt niet. Vervlogen tijden zijn hier nog ontzettend hedendaags. De taxirit naar het hotel is mijn eerste kennismaking met deze nieuwe oude wereld. De nieuwsgierigheid is aangewakkerd, en niet zo’n beetje ook.

De kennismaking wordt vervolgd met een verfrissende versnapering op het idyllische Plaza de Cathedral, direct na de vlucht. Even op adem komen en acclimatiseren na een lange dag werken. Het land zit nog een laatste van dag rouw uit, vanwege het overlijden van kameraad Kim Jong-Il. Het is rustig op straat en kerstversiering is nog maar mondjesmaat aangebracht. Niet lang na het tweede rondje beginnen de oogleden zwaar te worden en wordt het tijd om m’n vermoeide lijf rust te gunnen.

Uitgeput arriveer ik bij mijn hotelkamer. Ik trek de nachtpon uit mijn valies en zet een korte tandenpoetssessie in gang. Ik ben me slechts vaag bewust van koude spetters op mijn blote enkels. Een loom spiegelbeeld staart me terug aan. Wacht eens even, spetters? Ik kijk omhoog en ontwaak lichtelijk uit mijn dommeltoestand. Er sijpelt water langs de lamp naar beneden. De badkamervloer staat blank. Het tapijt is zompig. Kringen op het plafond. Wat is dit? Ik ben nog steeds moe, maar plots heel alert. Ik hoor geluiden van klotsende watergolven op de etage boven me. Nee toch. Ik bel de receptie. De dame verontschuldigt zich. Er is niets aan te doen. Stilletjes verwensingen mompelend verzamel ik mijn hebben en houwen weer bij elkaar. Zoef de lift in naar beneden. In pyjamadracht stoffel ik de hotellobby door en neem ik het nieuwe kamerpasje in ontvangst. Om binnen de kortste keren in slaap te vallen op hotelkamer nummer twee.

Ik word bijtijds wakker. Op het dak ben ik getuige van de zonsopkomst boven het nog stille Havana. Stil zal het niet lang meer zijn. Havana ontwaakt en is vol van geluiden. Drommen enthousiaste mensen bij een katholieke processie. Ronkende pruttelmotoren van oude Buicks, Chevy’s en Lada’s. Gonzende gesprekken en glazengerinkel op de terrassen. Kenmerkende klanken van traditioneel Cubaanse instrumenten die opdoemen uit de verte. De claves (ritmisch tikkende stokjes) en de raspende guayo (uitgeholde kalebas die wordt beschraapt met een stokje) herken je onmiddellijk. Ze lokken ons de gezellige tentjes en barretjes in. Ook ik, als a-ritmische Hollandse, word verleid om een riedeltje mee te doen op het podium. Prompt krijg ik de holle kalebas in handen gedrukt en voor ik het weet sta ik mee te schrapen op ‘Oye como va; mi riiittmo; bueno pa’ goza‘. Dansen is voor de lokale bevolking dé uitlaatklep om te ontsnappen aan de sleur van alledag.

Che is de nationale held. Zijn beeltenis vind je overal door de stad op muren en schilderdoeken. De koloniale panden zijn indrukwekkend, maar ze lijken af te brokkelen terwijl je er naar kijkt. Bij sommige ontbreken ramen en muren of groeien er hele bomen uit het dak. De grote gaten in de weg laten menig onoplettende vakantieganger regelmatig struikelen. Afgerekend wordt er in twee verschillende valuta’s; de dure toeristische CUC en de enkel voor locals bestemde Peso. Alleen wie de speciale trucjes kent, kan in buitenwijken hopen een paar biljetten met de beeltenis van Guevara te bemachtigen. Ik zie een bekende gele Den Oudsten bus rijden; al tientallen jaren met dezelfde bestemming waar-ie vermoedelijk nooit meer zal aankomen: Susteren.

De stad vertelt kronieken en ademt geschiedenis, waar nog dagelijks meer van geschreven wordt. Aan alles kleeft een verhaal, een rariteit of wetenswaardigheid. Zo niet, dan wordt er eentje verzonnen. Mij hebben ze. Van alle intercontinentale trips komt deze fotogenieke stad beslist met stip op één.

-oOo-

Ik vlieg vrolijk verder. Mijn volgende bestemming: San Francisco tijdens de jaarwisseling. Oliebollen in mijn rolkoffertje.

Intens gelukkig.

085 Kortstondig beleven

(11.45 uur, de laatste week voor kerstmis)

Onderweg gebeurde er weer van alles. Zo moesten we op een van de vluchten het zonder glazen en bekertjes stellen en lieten we  daarom iedereen maar uit blik of fles drinken. Op een andere vlucht werden we geconfronteerd met een medisch incident aan boord. Als we dan een verzoek doen om de assistentie van medisch geschoold personeel, is er altijd wel iemand aanwezig met kennis van zaken. Geluk bij een ongeluk. Is het geen arts, dan wel een in opleiding of een verpleegkundige. Natuurlijk hebben we zelf ook ons EHBO diploma, maar extra kennis en kunde is soms echt wel noodzaak. Samen trokken alle registers open, temperatuurden, maten bloeddruk en hielden de situatie goed in de gaten. Gelukkig bleef de toestand stabiel en landden we gewoon veilig met de patiënt op Schiphol.

Onderweg naar Boekarest communiceerden we met handen en voeten vanwege de taalbarrière. Verbaasden we ons over gebruiken en lachten we om gemeenschappelijke non-verbale grappen. Er was eens ouder echtpaar dat voor het eerst vloog. Ze keken hun ogen uit. Ik legde ze in de watten met een paar extra koekjes, een glimlach en een dubbele boterham. De man straalde en hakkelde vol overgave: “Mulțumesc …  You Very Good Lady…!”  Ik leerde ‘la revedere’ voor ‘tot ziens’ in het Roemeens.

-oOo-

Lissabon was genieten. Dit keer hoefde ik niet in mijn eentje op pad. Een collega haakte bij me aan, nog een paar uur na het ontbijt ter plaatse. Zo rond een uur of twee zouden we weer uitvliegen. Nog wat onzeker over het weer, verlaten we het hotel met winterjas en sjaal. Niet lang daarna hangen deze al over de arm en dragen we ze de rest van de wandeling met ons mee. Het weer was zonnig zacht, lenteachtig haast. We zien vakkundige schoenenpoetsers aan het werk, terwijl ik verder slof op mijn stoffen gympies. De kenmerkende kabeltrams rijden af en aan. Op elke straathoek vind je wel een kastanjepofmannetje met zijn gloeiendhete ketel. Al van ver zie je de rookpluimen tussen de huizen opstijgen. We lopen door brede en smalle straten, zien de zee en drinken koffie op een terras. Bij de bakker halen we verrukkelijk verse pastéis de nata; taartjes van verse room en eieren omhuld met krakend deeg.

Terug in het hotel verruil ik mijn privé ‘burger’ kleding voor mijn werkoutfit. Tot mijn verdriet leer ik van de lokale televisie dat Cesária Évora is overleden. De moeder van de Kaapverdiaanse ‘Morna’ die haar gevoelige levensliederen immer rokend en blootsvoets ten gehore bracht. Haar muziek draai ik al jaren.

Aberdeen was guur. Het contrast was groot de dag erna. Dik ingepakt in mijn windjack klem ik mijn verkleumde vingers om de camera. Ik kan het niet laten hier en daar een paar plaatjes te schieten. Ook hier zie ik de zee. Ruim tweeduizend kilometer verderop en van geheel andere aard. Grijs en geruisloos. Ik glibber over de ijzelgladde straten en knisper door met rijp bezette dorre bladeren. Tussen de natte sneeuwbuien door schijnt de zon puur goud. Opwarmen doe ik graag terwijl ik snuffel langs de eindeloze schappen in grote boekenwinkels. Buiten luister ik naar de kerstliedjes die de Salvation Army band speelt en schuifel ik langs de kraampjes van de decembermarkt. Ik haal nog gauw even een ansicht voor op de reismuur.

Boekarest was een bliksembezoek. Om 1 uur ‘s nachts kwamen we aan en de dag erna vertrokken we al weer om 11.30 uur. De stad  was één bontgekleurde verzameling van kerstlampjes. Vanuit mijn raam kon ik het immens grote Ceauşescu Paleis zien. Aan het ontbijt wist mijn collega hier allerlei bizarre wetenswaardigheden over te vertellen. Zo blijkt het een van de grootste gebouwen ter wereld. Terwijl ik mijn eitje pel vertelt hij dat voor de bouw destijds uit ruimtegebrek hele woonwijken met de grond gelijk werden gemaakt. Het paleis bestaat uit duizenden vertrekken en geheime ondergrondse gangenstelsels. Tegelijkertijd herinnert het de bevolking ook nog dagelijks aan het pijnlijke verleden dat het land met zich meedraagt. Geïntrigeerd nip ik van mijn koffie. Het monsterachtige gebouw is ook open voor publiek. Helaas is de tijd te kort om het vandaag nog te bezoeken. Het gaat op de lijst voor de volgende keer.

-oOo-

Bij terugkomst in Nederland plak ik de kaarten op de muur en draai ik de muziek van de landen waar ik ben geweest. Van Portugese Fado tot de Roemeense Klezmer, ga ik nogmaals in klank op reis.

Ondertussen ben ik al weer aan het bedenken wat er mee gaat in mijn kerstkoffer naar … Havana, Cuba.

083 Exportschat

(16.20 uur, de Sint voorbij – op naar de Kerst, ik eet een laatste pepernoot terwijl ik de kerstspullen van stal haal)

Zaterdagavond laat worden we van de luchthaven opgehaald. Italië is in nevelen gehuld. De chauffeur rijdt hard en onstuimig over de verlaten landweggetjes. Je ziet werkelijk geen hand voor ogen. Tegenliggers doemen pas enkele meters voor ons op. Koplampen uit het niets. Ik houd mijn hart vast. Ook de gedachte dat hij deze route waarschijnlijk op zijn duimpje kent, kan me niet geruststellen. Om ons heen niets dan mist en duisternis. Bruggen en bochten gaan rakelings. Maar uiteindelijk is daar gelukkig toch het plattelandhotel, niet ver van het vliegveld, zonder kleerscheuren en in de middle of nowhere.

Zondagochtend. Bij het openschuiven van de gordijnen zie ik de mist langzaam oplossen. De zon doet zijn best. Een lokale klusjesman hangt kerstverlichting aan de gevel. Na een rondje sporten schuif ik aan bij het ontbijtbuffet. Wat doe je verder op een uitgestorven zondag in een oord als deze?

-oOo-

Een zakje in een bakje in een tasje. Zorgvuldig pel ik de lagen verpakking van de koopwaar af, alsof het een kostbare schat is. Geen wonder, het was nog een hele tour om het hier op mijn Haarlemse snijplank te krijgen.

Het was goed inslaan bij een van weinige open zijnde supermarkten in het kleine dorpje. Maar produkten zelf exporteren (uit Italië) en daarna importeren (Nederland in) valt nog niet mee. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik dozen koekjes verfomfaaid in mijn valies tref bij aankomst. Of dat ik een gebroken potje kruiden tussen mijn t-shirts vandaan moet vissen.

De boodschappen die koel bewaard dienen te worden, gaan na aanschaf, tot vetrek uit het hotel, de minibar in. Niet vergeten! Ik denk dat al menig ‘housekeeping!’- personeel blij heb gemaakt met mijn per abuis achtergelaten spullen. Daarna is het passen en meten in mijn trolley. Uit de kofferbak van het taxibusje, op de band door de security scanapparatuur. Niet zelden word ik eruit gepikt om de inhoud ervan toe te lichten. Er zijn al eens de nodige potten yoghurt en jam in beslag genomen. Lang leve het vloeistoffenbeleid.

Dan aan boord. In onze vliegtuigen vind je geen koelkast of diepvrieskist. Dus daar gaan ze op een zak met ijsblokjes, tussen de schijfjes citroen en blikjes cola. Aan het eind van de werkdag niet vergeten weer terug in de trolley te stoppen. Nogmaals door de veiligheidscontrole, van Schiphol af, in mijn eigen kofferbak.

Als het dan uiteindelijk allemaal heelhuids is gelukt, is het genot ervan des te groter.

-oOo-

Voorzichtig snijd ik de bol buffelmozzarella. Zacht en stevig tegelijk. Het komt in de verste verte niet in de buurt van de taaie rubberen Euroshopper-stuiterbal. Dan was ik de Pomodori tomaatjes. Ik proef er alvast eentje. Een zoetkruidig aroma. Ik pluk van de geurige basilicum. Alles gaat in een kom en wordt besprenkeld met olijfolie. Versgemalen peper en zeezout erover. De koks onder ons weten inmiddels wat ik in elkaar heb geknutseld. E voilà; Insalata Caprese. De Italiaanse driekleur op mijn Hollandse bordje.  Mede mogelijk gemaakt door … mijzelf.

De volgende bestemmingen op mijn schema? Newcastle wat de klok slaat. Ik ben maar liefst vier keer op dat traject te vinden. Dus ga je komend weekend die kant op, dan kom je mij vast en zeker tegen.

082 Panamapiet

(12.30 uur, een dag voor aanvang van mijn wereldwijde stand-by periode)

Morgen de eerste stand-by periode bij mijn huidige bedrijf. Dat wordt nog lachen, want wat stop je in vredesnaam in een koffer voor ‘alle bestemmingen van de wereld’? Met de bredere horizon van deze baan kan dat van alles zijn. Binnen een uur van huis en op Schiphol aanmelden voor een Curaçao / Moskou / Vancouver / Shanghai / New York vlucht. Zeg het maar. Op slippers in de sneeuw? Met een wollen trui op het strand? Ik heb 65 liter te vullen. Al een tijdje loop ik te prakkiseren hoe ik het ga aanpakken. Ik denk dat het twee stapels worden. Een Tropische-zon-zee-strand stapel en een Europeesklimaat-fris-guur-sneeuw stapel. Dan kan ik op het moment dat ik het telefoontje in ontvangst neem bepalen welke ik nog even gauw erin kieper. Spannend. Wat het wordt laat ik jullie natuurlijk meteen weten middels een bericht op de Vliegensvlugge Update / Twitter.

-oOo-

In het kader van de vijf decemberstorm, dit keer een poging tot de rest van mijn blog in dichtvorm. Na tien uur en drie kwartier vliegen landden we op Tocumen International Airport, moe maar nieuwsgierig stapte ik in het busje voor crew transport. In mijn poging om dit nieuwe land te gaan ontdekken, zag ik vooralsnog alleen maar de hemel grijs dichttrekken. Geen zorgen, want ondanks het regenseizoen, is er nog steeds zo ontzettend veel te zien en te doen. Het moest gewoon tussen de hoosbuien door, maar ach, daar hebben we toch paraplu’s voor?

Als ik Panama zou moeten karakteriseren met één woord, is veelzijdig zeker van toepassing op dit oord. Globetrotter als ik ben; wil ik meteen alles zien. Maar er moest natuurlijk ook uitgerust worden voor de terugvlucht van een uur of tien. Het werd dus een fijne mix van bijtanken en avontuur, in deze korte 48 uur.

Ik sloot me aan bij een clubje collega’s met sufplannen, want wat is nu lekkerder dan op een plank in de branding ontspannen? We huurden een auto bij Avis, en propten ons met z’n vijven in de kleine Yaris. Na ruim een uur stapvoets filerijden verlieten we eindelijk massaal, Panama-City over de brug bij het Panamakanaal. Het was zeker een prachtig gezicht, de schepen die lagen te wachten op een doorgang in het ochtendlicht. We maakten kort een pitstop voor het inslaan van wat proviand, bij supermercado Rey voor in de picknickmand. Vervolgens hervatten we de rit over de gaten in de weg als een bolderkar, naar onze uiteindelijke surfspot El Palmar.

Het zand was er niet wit maar had wat zwarts, alsof het doorspekt was met glinsterende stukjes kwarts. Van vulkanische oorsprong dit terrein, alsof ik blootsvoets was wezen stampen in een kolenmijn. Terwijl in de verte de hemel al weer dreigend donker kleurde, was het de zoveelste golf die me meesleurde. Zag ik nu de laatste zonnestraal? Wederom ging de branding met me aan de haal. Peddel peddel in het water, nu al of iets later. Zand op de grond, zilt in je mond. Wachtende op het juiste moment om vervolgens spontaan, weer in de golf ten onder te gaan. Zeker niet voor watjes of mensen met spatjes.

Ondanks dat de buien zich in de lucht verdrongen, zijn wij gelukkig de regendans ontsprongen. Beurs gekneusd maar blij gestemd in het hotel, denk dat ik een bezoek aan de oude stad nog maar even uitstel. Leg mijzelf eerst maar op mijn bedje neer, in Panama kom ik heus nog wel eens weer. Uitgeput van zoveel surf en strand, dommel ik al gauw weg naar dromenland…

Ik droom van een sint met wapperbaard en surfshort, die de blits maakt op zijn longboard. Met een luide schater, strooit hij pepernoten voor de vissen in het water. Bij deze vanaf Nederlands grondgebied, was getekend: de Panamapiet.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Toelichting bij de foto’s:

Zie het zwarte zand, de betrekkende lucht en mijn eigen hoed. De zon gaat onder terwijl de planken liggen te rusten en de kids spelen op het strand. Uit eten kun je heerlijk in Panama-Stad op het plein met de mysterieuze sprookjesboom, onder de gewelven van Las Bóvedas.

079 Beproeving

(13.50 uur, uit het Noorden des Lands, terug van weggeweest en tijd voor familie en vrienden)

Met ruim vierhonderd passagiers en een vijftienkoppige bemanning kozen we het luchtruim naar de Hollandse Cariben. Het was enigszins raar weer terug te zijn. Nog geen twee maanden geleden liep ik hier rond op slippers in vakantiehoedanigheid. Dit keer in pak en op pumps ‘voor de baas’ en zonder mijn fijne reisgezel van destijds.

In een club van vijftien collega’s zitten er altijd wel een paar bij met wie het meteen klikt. Eenmaal op bestemming heeft iedereen zo z’n eigen behoeften en wensen. De een wil sporten, de ander uitslapen en niksen. Weer een ander zoekt vrienden of familie op of bakt graag bruin aan het strand. En die moet nog een boodschap doen bij die-en-die winkel. En zo waaiert de hele bemanning over het eiland uit. Ieder kiest ieder zijn eigen weg. Mijn voorkeur ging uit naar ‘erop uit trekken en mijn camera testen’. Twee dames die ook wel wat wilden ondernemen, sloten zich bij me aan.

Aldus geschiedde en gingen we met z’n drieën op pad. Voor een habbekrats huurden we een auto om een over het eiland rond te toeren.

In mijn tas de Powersnot G12 camera. De nieuwe aanwinst die mijn kleine broekzak klikkertje moet vervangen. De fotografeergretigheid is bij mij met de jaren gestaag gegroeid en daarmee het compactcameraatje wat ontstegen.

Deze trip werd de eerste beproeving. Zou het ons (lees: mijn camera en ik) lukken het scala aan Curaçaose bedrijvigheid te vangen? De leguaan die door de dorre bladeren knispert. De rimpeling op zee. De drukke gele kwettervogeltjes. Het avondschijnsel van de Handelskade in Willemstad. Powersnot ging de uitdaging aan.

Hieronder een selectie van plaatjes. Wat mij betreft heeft-ie de test met vlag en wimpel doorstaan.

Wat vinden jullie van het nieuwe slideshow kadertje op mijn site? Handig? Of hebben jullie liever de gallerij waarbij je de foto’s één voor één moet aanklikken om ze te bekijken? U vraagt, LENOS serveert.

Lees ook het verhaal dat ik eerder over mijn vakantie op Bonaire en Curaçao schreef: http://lifeoflenos.nl/2011/08/30/070-heremientiet/

-oOo-

De komende weken zit ik dichter bij huis. Ik ga naar een stad die al een tijdje op mijn vliegverlanglijst staat: de Schotse hoofdstad Edinburgh.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

078 Duizelingwekkend Delhi

(18.25 uur; zelfs nu nog, raak ik maar niet uitgeschreven over de vele indrukken die ik in zo’n korte tijd opdeed tijdens mijn eerste trip naar het Verre Oosten; lees, huiver en geniet)

Acht uur vliegen bracht ons in de hoofdstad van India; New Delhi. Toen we aankwamen was het al donker. Onze tijd plus drie-en-een-half leverde midden in de nacht.

Een bijzonder moment in een nieuw land vind ik altijd de eerste aanraking met het lokale leven na het verlaten van de aankomsthal. De eerste stappen buiten, het land in. Een andere wereld tegemoet. Ondanks de vermoeidheid na een lange dag werken, zijn mijn zintuigen dan allemaal volop actief.

Hoe is de atmosfeer? Zwoel. Broeierig, maar zacht. Anders. Wat ruik ik? De geur van avond vermengd met iets wat lijkt op kruitdampen. Wat zie ik? Hoe kleden de mensen zich? Hoe praten ze? Wat doen ze? Ik zuig het als een spons in me op. Een jongen stapt op ons af om een handje euro muntgeld om te ruilen voor een briefje. Er lijkt een soort mistige waas in de lucht te hangen. Een van mijn collega’s die er al eerder geweest is, weet me te vertellen dat we nog een paar dagen verwijderd zijn van Divali, het feest van het licht. Hier gaan dagen aan voorbereiding aan vooraf. Men steekt vuurwerk af. Maar het is hier ook de deken van luchtvervuilende smog, die immer de stad bedekt.

Een pruttelende bus, die niet harder lijkt te kunnen dan zo’n veertig kilometer per uur (we worden links en rechts ingehaald door vrachtwagens en brommers), brengt ons naar het hotel. De koffers worden uitgeladen en de kamers verdeeld. Ik slaap vast en diep.

De dag erna, bij het openschuiven van de gordijnen, zie ik eigenlijk pas waar ik echt ben beland. In de verte doemt het stadssilhouet op. Ik ben vroeg opgestaan omdat ik wat wil zien.

De dag begint met de rit in de tuktuk: een geelgroene overkapte brommer op drie wielen. Naast de chauffeur is er nog ruimte voor twee passagiers. Rakelings wordt er van beide kanten ingehaald. Voorrang wordt opgeëist. Ondertussen wordt er maximaal gebumperkleefd en ongeduldig geclaxonneerd. Want zonder een flinke portie lef én een toeter op je vehikel kom je nergens. Een weg met twee rijstroken verandert al naar gelang in een drie-, soms wel vierbaansweg. Proppen met die handel, dat past nog best. Ik ben met stomheid geslagen en blij dat ik zelf niet achter het stuur zit.

In Oud Delhi aangekomen worden we opgewacht door Iqbal. Deze 19-jarige jongen zal ons de komende paar uren rondleiden door de stad. De stichting Salaam Balaak Trust heeft hem – samen met nog tig andere kinderen – van de straat geplukt, onderdak gegeven en opgeleid tot gids. Uitgebreid vertelt hij over het leven op straat. We komen in steegjes waar ik zelf niet zo gauw naar binnen zou stappen. Bij een muur waar tegeltjes met afbeeldingen van heiligen ingemetseld zijn, houden we halt. Iqbal vraagt ons te raden waarom dat is. We bedenken van alles, maar komen niet op het uiteindelijke doel: “Dit is om te voorkomen dat mensen tegen de muur gaan plassen, nu laten ze dat wel uit hun hoofd”.

Hij zegt ook dat we de drommen bedelaars beter geen geld kunnen geven. Een moeder laat haar hummeltje van nog geen twee jaar oud zijn handje op houden voor toeristen. Schrijnend. Maar Iqbal vertelt dat ze te eten krijgen uit de liefdadigheid gaarkeukens bij de vele tempels die de stad rijk is. Dus niemand hoeft honger te lijden. Het geld dat zij ophalen zal dan ook aan andere zaken worden uitgegeven. Als het niet aan drugs is, geven jonge zwervertjes het meestal uit aan bioscoopkaartjes en het spelen van videospelletjes. Want meeste straatkinderen dromen ervan te schitteren in een Bollywoodfilm als een beroemd acteur.

We doen ook een van de opvanghuizen van de stichting aan. Hoe hartverwarmend en dankbaar is het om even met de kinderen te praten en te spelen. Handjeklap blijkt een gewild en internationaal spelletje. Als we weer vertrekken roepen en zwaaien alle kids in koor “BAAAAAYY!!”

Terug in het hotel. Mijn hoofd stroomt over. Voor de terugvlucht ga ik nog even liggen, maar de slaap kan ik niet vatten. Terwijl ik draai in mijn bed, danst Delhi door mijn hoofd. De kleuren van de stad. De drukte van het verkeer. De levendigheid op straat. De energie en overlevingskracht van de kinderen.

-oOo-

Inmiddels weer thuis kan ik het nog steeds amper bevatten. Zegge en schrijve ben ik slechts 48 uur van huis geweest. In die korte tijd heb ik zó veel gezien. Onwerkelijk haast. Wat een wereld. Als er een superlatief bestaat van ‘overdonderd zijn door indrukken’, dan was dat zeker op mijn etmaal in Delhi van toepassing.

Nu een paar dagen vrij en dan dit weekend naar:

Curaçao.

Het houdt niet op.