040 Hollands Glorie

 

(17.15 uur, thuis in herfstig Haarlem)

Mijn telefoon pingelt. “LEEN! Ik heb een stopje AMS! Land vanmiddag om drie uur. Meeten?!” Mijn oud collega en vriendin. Ze werkt immers al weer een tijdje voor de grootste luchtvaartmaatschappij van Engeland. En terwijl wij overnachten in Cardiff, Bristol, Liverpool en Middlesbourgh; heeft zij een nachtstop Amsterdam. Van oorsprong Hollandse, maar inmiddels al ruimschoots ingeburgerd tussen de Britten. Ze kan links rijden als de beste en heeft een Engels accent waar je u tegen zegt. Toen ik bij haar te gast was maakte ze een heerlijke Sunday Roast met parsnip and butternut squash voor me. Tevens wist ze me feilloos naar de lekkerste fish and chips tent te loodsen, ik kreeg ze traditioneel, met vinegar and mushy peas.

Toch blijft een groot deel van haar nog steeds Oerhollands. Terwijl haar collega’s niet zitten te springen om een stopje AMS (zij doen veel liever iets wat écht cool is, surfen op Barbados bijvoorbeeld), vraagt zij de ’kaaskopstop’ regelmatig met verve aan. Ze wordt door hen gekscherend ’cheesehead’ of ’cloggie’ genoemd. Zij is er trots op. Friet hoort met mayo (iets wat buitenlanders echt niet kunnen begrijpen, en dan heb ik het nog niet eens over het patatje oorlog / kapsalon). Als je je kleine stukjes moet verplaatsen pak je de fiets. Koninginnedag wordt vol overgave in ere gehouden. Net zo als Sinterklaas. En hoewel de poffertjespan eigenlijk een beetje uit de gratie raakt (die koop je tegenwoordig toch kant en klaar in een zak bij de Appie), is zij van plan er juist eentje aan te schaffen.  Zodat ze die kleine rakkers altijd zelf thuis kan maken.

Ons kikkerland heeft veel leuke dingen waar je normaliter niet bij stil staat. En dan heb ik het niet alleen over het cliché molen-klomp-tulp gedoe. Ik weet van haar dat ze een lijstje heeft met boodschappen; typisch Hollandse lekkernijen, die in Engeland lastig tot niet te krijgen zijn. We beginnen dan ook altijd in de supermarkt. Haar mandje wordt volgeladen met Brinta, Chocomel, stroopwafels, suikerbrood, kaas en kokosbrood. En sindskort dus ook met marsepeinen aardappeltjes, gevuld speculaas en chocoladeletters. Ze was reeds op zoek naar een pak oliebollenmix, maar dat konden we nog niet vinden.

Ik maak de blits door mijn familie te trakteren op zelf geïmporteerde scones. Haar Britse vriendinnen daarentegen smullen van de kruidnoten uit haar ‘pepernotenpot’, een grote keramieken pot met sinterklaasrijmpjes er op. Elk jaar tegen deze tijd mag hij de kast uit en op tafel. Het wordt ook prachtig gevonden  als ze de theepot op een theelichtje zet. “So Dutch!” Tot mijn verbazing kennen ze dat daar niet, men gebruikt een theemuts om de boel warm te houden. En dat terwijl de Engelsen juist bekend staan als theeslurpers eerste klas! Ze krijgen de thee geserveerd uit een van de vele Delftsblauwe kopjes dat haar servieskast rijk is.

We vervolgen onze Hollandtoer. De HEMA en Xenos worden aangedaan. Winkelconcepten die je in Groot Brittanië niet vindt. Om de dag te eindigen met een frikadel speciaal en een kroketje bij de snackbar voor het ultieme Hollandgevoel. Trots laat ze me een foto van haar nieuwe aanwinst zien. Een paar Delftsblauwe bordjes en schaaltjes. Regelmatig speurt ze het internet af naar deze klassiekers. Haar ouders (die overigens nog steeds hier wonen) hebben reeds opdracht gekregen Unox stamppotbrodjes te sparen.

De paar korte uurtjes die ons restten zijn voorbij. Ik loop met haar mee terug naar het hotel. Haar koffer puilt uit. Hij is flink wat kilootjes zwaarder geworden door alle souvenirs. Als je een Britse met een Hollandse hobby bent, is het zeulen geblazen. Ze gaat erop zitten om hem dicht te krijgen.

Door haar voorliefde voor alles wat Nederlands is, ben ik ons landje ook meer gaan waarderen. Dingen die ik normaal voor vanzelfsprekend aanneem, ga ik met andere ogen bekijken. Sterker nog, de dingen waaraan ik zelfs een hekel had (sintspullen reeds vanaf eind september in de winkels, Delftsblauw kitschservies) ga ik zelfs waarderen. Als ik een ding heb geleerd, is dat wel dat je je afkomst nooit mag verloochenen. Nederland is nog lang zo gek nog niet, bedenk ik me.  En ik snaai nog een dubbelzout dropje uit het witblauwe schaaltje voor me op tafel .

-oOo-

Leuke websites om wat op rond te struinen en te lezen wat andere landen zo leuk, raar of gek aan ons vinden:

How to tell if you’re Dutch door Bas Suverkropp

De observaties van Eddy

Boeken over Hollanders: The Undutchables

039 Stoempen en keuren

(8.45 uur vanuit een kletsnat Nice)

Woensdagochtend. De regen slaat in mijn gezicht. M’n vrije dag. Het feit dat ik een capuchon op heb kan niet verhinderen dat de druppels mijn oogmake-up in donker omrande pandabeer ogen verandert. Ik probeer me niet uit het veld te laten slaan, ondanks dat de wind mij uit alle macht uit balans tracht te brengen. Ze trekt wild aan het stuur van mijn gammele fiets. De spijkerbroek plakt aan mijn benen vast. Ondanks dat pas ruim een maand geleden is dat de zomer eindigde, lijkt het al weer tijden geleden dat ik voor het laatst de zon op mijn bol voelde. Ik verlang er meer dan ooit naar terug. Op mijn leren jas beginnen zich donkere regenvormen af te tekenen. Grrrmbl. Ik sla linksaf en verlaat het industrieterrein.

Het is weer zo ver. Het jaarlijkse Avontuurlijke Pruttel Karwei. Ofwel, de Automobiel Panne Kanttekening. Kortweg APK. Mijn autootje wordt gekeurd. In stilte vraag ik mij af hoe anderen dit elk jaar toch weer doen. Krijgen die een leenauto mee? ‘Wachten’ die erop? Of zullen die zo’n dag ook al tweewielend door het leven gaan? Ik trap verwoed door. Nog geen kwartier geleden heb ik de sleutels en paperassen van mijn vehikel aan de goede handen van de monteurs toevertrouwd. Elk jaar weer een heikel punt bij mijn inmiddels twaalf jaar oude bolide. Haalt-ie-het of haalt-ie-het-niet? Zou er nog groot onderhoud moeten plaatsvinden? Ik zit graag veilig bij de weg. En voor veiligheid heb ik best wat over. Dus ik teken ook voor een Grote Beurt.

Net als ik mijzelf thuis goed en wel te drogen heb gelegd bij de verwarming gaat de telefoon. De garage. De distributieriem is aan vervanging toe en de remmen achter. Of ik instem met de reparatie. Inventieve autoprogramma’s laten wel ‘ns zien dat een kapotte distributieriem ook prima (tijdelijk) vervangen kan worden door een aan elkaar geknoopte panty. Hm. Nou heb ik panty’s altijd bij de hand… eh… voet. Maar zie je het voor je? Een stewardess op de vluchtstrook…? Waarschijnlijk wel. Niet dus. Doe maar. Vervangen die handel.

Eind van de middag. Ik trek mijn oude kloffie weer aan. Hoe zou Mart Smeets dit zeggen? Dat wordt op karakter fietsen. Stoempen tegen de wind in. De lucht is grijs. Bomen kleuren goudbruin en laten hun blaadjes vallen. Ik denk aan het fijne dat dit soort dagen met zich meebrengt. Lekker warm binnen met hete choc en kaarsjes aan. Voorpret voor Sint en Kerst. Stamppotten. Extra waardering voor een comfortabel droog huis. Voor de tweede keer die dag geef ik me over aan de grillen van de herfst.

Ik ruil het leenbarrel om voor mijn eigen stalen ros. Daar kan ik me er altijd op verheugen. In een pas doorgesmeerde en bekluste auto stappen. Rijdt ook lekkerder. Niet misschien meteen vanwege de rij eigenschappen, als wel vanwege ‘het idee dat’ het weer allemaal goed is. Vergelijkbaar met je fijne oude schoenen aantrekken die door de schoenmaker opnieuw gelapt en gezoold zijn. Of als het omdoen van een horloge waar zojuist een nieuw batterijtje in is gezet. Als… het binnenstappen van je huis waarvan net de gevel gereinigd is. Dat kleine fijne. Waarvan jij alleen het verschil weet. Dat toch een ongemerkt groots effect sorteert. Vetrouwd met een nieuw tintje. Ik kan nu weer ongegeneerd kilometers vreten. Heerlijk langs ‘s Lands Heeren Weegen cruisen.

Mijn adem stokt. Nee toch. Dat is toch niet waar… Het valt me meteen op. Enigszins verontwaardigd loop ik terug. De monteur biedt zijn verontschuldigingen aan en vertelt dat ie reeds in stukken bij het vuilnis ligt. Mijn persoonlijk gecreëerde nummerplaathouder met ‘Life of LENOS’ tekst. Vervangen door die van de dealer. Ik snuif en zet m’n verdrietigste pandasnoet op. Het werkt. Op hun kosten een nieuwe, belooft hij me. Vooruit dan. Ik start de motor en rijd weg.

Binnenkort dus weer opnieuw te bewonderen op mijn achterklep. Zwaaien / toeteren mag.

-oOo-

Ook hier gutste vannacht het hemelwater met bakken uit de lucht. Ongewoon, voor de anders zo mediterrane badplaats. Er ligt een lange dag voor me in het verschiet: vier vluchten maarliefst. Vanavond eindigend in Brussel. Ik doe wat energie op met een uitgebreid Frans petit-déjeuner.

037 Frisse wind

 

(13.45 uur, een wisselvallig Hollands na-regen-komt-zonneschijn Haarlem)

Een veelgehoorde reden van mensen om niet iets van waarde te produceren, is het feit dat men ‘geen inspiratie’ had. Een fenomeen dat mij natuurlijk niet onbekend is. Geen inspiratie is funest voor een verhalenschrijver. Een paar nietszeggende regels tekst met een samenhang als los zand. Inspiratie vind je niet. Het komt aanwaaien met de wind. Het treft je als een onverwachte meteoriet. Of komt rustig aan binnenwandelen tijdens het lezen van de krant. Op de meest onbedachtzame momenten. Als je juist níet met datgene bezig bent waarvoor je inspiratie zoekt.

Zo krijg ik vaak een zoete inval…

…als ik reeds gepyjamaat en wel in bed lig en mijn gedachten de vrije loop laat gaan op weg naar dromenland.

…als ik buiten ben, in een stad of in de natuur. Vernuftige architectuur of een bijzonder landsschap zetten mij aan het denken.

…gedurende een work-out in de sportschool met het verstand op nul.

…als ik ongegeneerd naar passerende ’mensen mag kijken’ vanaf een terras of op een luchthaven.

De bron van deze inspiratie kan van alles zijn. Mensen, voorwerpen, geuren, smaken, geluiden, momenten, een verandering van de lichtinval of zelfs de kleinste oogknippering. Alles wat onze zintuigen maar enigszins kan prikkelen.

De afgelopen maand had ik veel van dit soort fijne momenten. Ik las een goed boek. Ik wandelde over het Zeeuwse strand met de wind in mijn snoet. Struikelde bijna over een aangespoelde kwal. Dronk een pittige bak pleur bij paviljoen ‘de Zeebries’, terwijl de uitbater een cd met aangenaam zoetgevooisde muziek opzette. Ik werd wakker van mijn moeder die vers brood voor het ontbijt bij de bakker had gehaald. Zag de regen en hagel met grof geweld op de daken kletteren. Ik kan de lijst eindeloos nog aanvullen. Bezielende momenten. De moeite waard om even bij stil te staan in het jachtige leven.

Niets is zo breed toepasbaar als het begrip inspiratie. Inspiratie voor een verhaal, een kunstwerk of een nieuwe beleidsstrategie. Maar ook van meer alledaagse aard. Inspiratie voor ‘wat zullen we vanavond eten’, ‘wat gaan we vandaag doen’ en wat schrijf ik in een sms aan die-en-die. Zonder inspiratie geen creatief proces. Niet voor niets wordt deze gedachte aangeduid met een woord dat tevens ‘inademing, het inzuigen van lucht in de longen’ betekent. Een teug adem geeft energie en motivatie. Adem doet leven.

Eigenlijk moet je direct na het ervaren van een dergelijk moment er een aantekening van maken. Of een foto. Een krabbel van het zojuist binnengevallene. Een mentale notitie is voor mij vaak niet genoeg. Net als een droom. Wil je het onthouden, dan moet je er meteen actief mee aan de slag. De dag erna resten vaak nog louter flarden en vage hersenspinsels. Ik vind dan regelmatig ook nog briefjes en kattebellen op de gekste plaatsen. In mijn agenda. Telefoon. Op de achterkant van een tankbonnetje. Op een servet. Inspiratie is ongrijpbaar. Soms vaag. En ondoorgrondelijk. Volgt zijn eigen weg. Maar van onschatbare waarde als het je invalt.

036 Zesendertig

(15.36 uur, op mijn eerste vrije dag na zes dagen werken) 

Nummer 36. Dit kan geen toeval zijn. Dat ik nu net vandaag mijn 36e blogje online zet. Zesendertig is mijn lievelingsgetal. Ook zoiets. Wat heb je in vredesnaam aan een lievelingsGETAL? Ik kan het niet uitleggen. Lievelingseten (smaakt lekker), lievelingsdier (is lief), lievelingskleur (mooi) en lievelingsparfum (ruikt goed). Dingen die we vroeger in elkaars vriendenboekjes en poëziealbums schreven. Maar lievelingsgetal?! Het is niet bepaald zo dat ik er eens goed voor ging zitten om een getal uit te kiezen dat bij mij paste. Toch vind ik het telkens als ik er mee te maken krijg speciaal. Vandaag zijn mijn ouders 36 jaar getrouwd.

Als ik ’36′ intyp op een internetzoekmachine, vind ik onder andere het volgende.

Zesendertig is het kwadraat van 6 en een driehoekskwadraatgetal. Tevens is het een 13-gonaal getal en een hogelijk samengesteld getal. Het is ook een van de Harshadgetallen. Het woord ‘harshad’ komt uit het Sanskriet en betekent ‘grote vreugde’. Dit getal is de som van een priemtweeling (17 + 19). 36 is het kleinste getal n met precies 8 oplossingen voor de vergelijking φ(x) = n. Maar ook: 36 = 13 + 23 + 33 .

Zes-en-dertig. Dat kan van alles zijn. 36 zwarte toetsen op een piano. De internationale toegangscode voor een telefoongesprek naar Hongarije (nooit geweest). Een nog niet uitgebrachte film over autokrakers. De prijs voor een nieuw rijbewijs. Maar ook een heleboel. 36 knikkers (da’s heel zwaar in je broekzak). 36 koekjes (misselijk als je die allemaal opeet!). 36 vrienden op je feest (past niet eens in mijn huis).

Die vrijdag in 1974 was het geen mooi weer om te trouwen, het regende pijpestelen. Nu 36 jaren later, regent het weer. Voor het aantal bestaat geen naam. Het valt niet in de categorie Katoenen, Koperen of Kristallen bruiloft. Dat hoeft ook niet. Het is gewoon 36 jaar gelukkig samen.

Afgelopen weekend werd dit reeds door hen zelf gevierd met een weekendje waddeneiland. Op deze manier wil ik er ook nog even aandacht voor vragen.

Ze zijn leuk samen. Mijn ouders. Lief. Gek. Grappig. Maar soms ook heel verschillend. Willen elkaar wel eens achter het behang plakken. Dat hoort erbij. Mijn vader mist haar als ze met mij een weekje weggaat. Mijn moeder verrast hem met lekkere zelfgemaakte jam. Ze genieten van een lekker flesje Muscat, een middagje in de tuin of een bezoekje van hun dochters. Van een vakantie naar het Griekse of een Topo fietstocht.

Beide  troffen de nodige tegenslagen op hun pad. Het verdriet en de glimlach werden samen gedeeld. Ondertussen staan zij nog steeds hand in hand na al die tijd. Vorig jaar gaven we hen een bank. Voor in de tuin. Het ‘samen’ bankje. Hij staat er nog steeds. Trotseert weer en wind, zon en regen. Op het hout is een plakkaatje geschroefd. Dit staat erop:

- Samen genieten. Samen leven. Samen zijn. Samen. Sinds 27 september 1974 -

Pap en mam, gefeliciteerd met jullie 36e jaar. Ik ben een trotse dochter.

035 Kiloknallers

(12.15 uur, stand-by dag nummer zoveel)

Ik ben een beetje lui. Het is niet dat ik geen tijd heb om een nieuw stukje te fabriceren. Integendeel. Vandaag is dag drie van mijn stand-by periode zojuist ingegaan, om tot op heden nog onopgeroepen te blijven. Alle tijd dus, dat kan ik niet als slap excuus gebruiken.

Ik weet niet wat het is. Een beetje inspiratieloos? Of te veel andere (leuke) dingen aan mijn hoofd, die geen mentale ruimte geven aan een blog? Ik kan er lang en kort over kletsen, want hoe dan ook, van mezelf moet ik aan de bak. Dralend gedrag heeft nog nooit iemand ver gebracht.

Vanmorgen begon ik mijn dag met een flinke workout. Daarover dus een verhaal.

-oOo-

De spierpijn van het sporten zit mij nog vers in de benen en schouders. Lekker. Daar ik mij voorheen sporadisch op een hometrainer wist te hijsen, ben ik nu een fervent bezoeker van fitnessruimtes. Thuis, hier in de sportschool of onderweg, in de hotels. Het talmende gedrag heeft plaatsgemaakt voor gedrevenheid. Hoe dat destijds zo gekomen is, weet ik ook niet precies. Tijd te veel? Energie overschot? Noodzakelijke uitlaatklep? Het zal wel een combinatie zijn geweest. Nu ben ik al weer een aantal jaren fanatiek bezig. Als mijn rooster het toelaat probeer ik de drie à vier keer per week te halen. En ik moet zeggen, eenmaal goed in dat ritme, werkt het als een soort onmisbare levensbehoefte. Bij een week sportloosheid begint mijn lichaam te schreeuwen om uitdaging en activiteit.

De sportschool. Een plek door velen geliefd en gevreesd. Het blijft een apart fenomeen. Roeien op het droge. Wat in de rondte zwaaien met gewichten. Hardlopen terwijl je geen meter vooruit komt. Schaatsen zonder ijzers. En traplopen met immer hetzelfde uitzicht. Het ziet er ook raar uit. Een beetje als dansen zonder muziek. En je moet het leuk maken voor jezelf. Want het is saai. Staren naar hoe de rode blokjes op je crosstrainer wegtikken. In de grote spiegelwand, naar jezelf. Of naar de grote flatscreen tv’s aan de muur. Met altijd dezelfde programma’s. Soaps, dierenprietpraat of documentaires. Laatst zag ik een bijster interessante Air Crash Investigation over een kaping. Terwijl ik zwetend een fictieve heuvel op peddelde.

Mensen kijken blijft een favoriete bezigheid. Deze lokatie is daarvoor ook uitermate geschikt. Ik zie vale flodderende sportbroekjes. Glimmende trainingspakken. Sporters met knappe merkschoenen of viezig afgetrapte sneakertjes. Goed gevulde Rubensvrouwen en zorgwekkend dunne dames. Met een net-uit-bed-hoofd. Of vol in de make-up. Gespierde atleten en lakse kantjes-er-van-aflopers. Giechelende tieners die er een potje van maken. Krasse oude van dagen op hun wekelijkse uitje. Breedgeschouderde heerschappen die met kiloknallende halters hun biceps nog verder oppompen. En ik. In de categorie… Tja zeg het maar.

Verstand op nul, blik op oneindig. Het maakt mijn hoofd altijd heerlijk leeg. Of stopt het juist vol goede ideeën. Afwezig dein ik op het ritme van de muziek dat mijn joekel koptelefoon voortstampt. De loopband zoemt. Voetstappen dreunen.  Naar anderen kijken is al ongewenst. Je traint hier alleen. Voor jezelf. Dat is volgens mij ook typisch des Randstads. Ik kom uit een dorp, daar groet je elkaar. Hier niet. Ook niet als je elkaar voor de tiende keer stationair voorbij ziet fietsen. Ik denk dat ik er nooit aan zal wennen. Toch wissel ik een blik van verstandhouding uit met de persoon die mij niet groet, als teken dat ik hem heus wel heb opgemerkt. Ooit zullen ze er aan moeten geloven.

Een fijne bijkomstigheid: mensen die regelmatig sporten en bewegen schijnen minder hinder van een jetlag te ervaren. Ook kunnen zij zich sneller aanpassen na onregelmatige diensten. Nu alleen nog een remedie tegen de Citygap

033 Holder de bolder…

 

(17.46 uur, tussen de dozen paperassen)

Zelden ben ik dingen kwijt. Ik weet bijna altijd waar ik de dingen gelaten of opgeborgen heb. In luie momenten wil ik me wel eens gedragen als een haastige sloddervos. Snellerdesnel en geen puf meer, dus kwak maar neer. Daarom is het soms nodig om kasten uit te mesten. Vind ik niet persé een vervelende bezigheid. Sterker nog, ik maak er soms een sport van. Ik ga bij mijn oma de kasten door op producten over de datum. Ik hergroepeer samen met mijn zusje haar kledingkast. Ruim met mijn moeder de zolder op. Het creëert ruimte en soms vind je nog eens wat. Iets, waarvan het niet wist dat je het had. Of iets,waarvan je dacht het al eerder afgedankt te hebben. Of iets dat je doet glimlachen en je op nieuwe ideeën brengt.

Mijn collectie volgepende dagboeken bijvoorbeeld. Al sinds mijn achtste houd ik zo’n dierbaar verslag met onregelmatige tussenpozen bij. Kinderlijke onschuld, puberperikelen en persoonlijke vreugdemomenten. Kostbare herinneringen en tijdsimpressies. Waardevol.

Sorteren en weggooien kan ik heel goed. Vooral zaken van anderen. Maar als het om mijn eigen spullen gaat, dan slaat de aarzeling toe. We treffen op zolder dozen studie- en middelbareschool aangelegenheden. Tussen mijn vaders oude padvinderspullen. Met weemoed blader ik door de stapels bloed zweet en tranen. Stoffig. Ik denk dat iedereen daar nog wel iets van bewaard heeft. College aantekeningen, handouts, boekuittreksels, woordrijtjes. Kladblokken, klappers, katernen en kaftpapier. Schriften en snelhechters. Bewaard om het ooit nog weer te lezen. Plaats daar maar een N voor.

Ooit werd nooit. Reeds tien jaren verstreken. En geen één keer voelde ik urgentie om op een vrije middag weer een letter van die oude aantekeningen te bekijken. Logisch. Het is nu niet meer relevant. Toen noodzakelijk voor het begrip van een hoofdstuk een goed punt op een proefwerk. Nu slechts een paar loze woorden zonder betekenis. Kennis veroudert ook. Dus met pijn in mijn hart kon ik niet anders besluiten dan het handeltje weg te kieperen. Deze tastbare herinneringen weggooien voelt als afscheid nemen van het verleden. Natuurlijk ging dat niet zonder het nog een laatste keer vluchtig door te bladeren, trots te zijn en te glimlachen.

De doos met jeugdige Lijsterleesboekjes werd op Marktplaats te koop aangeboden. Want boeken weggooien druist in tegen mijn natuur. Bovendien kunnen oude spullen zo weer een nieuw verdiend leven krijgen. En zo geschiedde het. Als rasechte marktverpesters voor de andere aanbieders, plaatsten we onze vijftig (!) boeken voor een habbekrats online. Veel andere rommel verdween op de stapel van het oud papier en in de Klikobak. Wie heeft er nog wat aan mijn aantekeningen?

Het verbaasde mij hoe weinig ik mij nog wist te herinneren van al die theorieën en berekeningen. Vier jaar achterstallig breinonderhoud heeft me geen goed gedaan. Ben ik aan het ontsnuggeren? Versullen? Verdampt mijn ooit zo ijverig opgedane kennis? Ik begon me zorgen te maken. Dat krijg je ervan als je kiest voor een carrièreswitch. Van psych naar stess. En zodra je ’er niks meer mee doet’ gaat de vergetelheid rap. Tuurlijk heeft het me mede gevormd tot wat ik nu ben. Die normaalverdelingen, hyperbolen, hypothesetoetsen en significantieniveaus. Tja.

Ik neem me voor dat het tijd wordt opnieuw mijn mentale horizon te verbreden. Hoe? Dat ga ik bedenken. Want zeg nu zelf, wat is er nu lekkerder dan je hersenpan pijnigen met nieuwe uitdagende kennis en informatie?

032 De Mexicanen

(16.20 uur, twee uur rondhangen op de luchthaven van Göteborg)

Zaterdag 21 augustus 2010. Sail Amsterdam. De gezelligheid van Haarlem Jazz. Niet voor mij. Na het verdrijven van de bacillenfamilie uit mijn nasale- en gutturale systeem mag ik gelijk aanvangen met een zesdaagse werkweek. Beginnende vandaag.

Klikkkkk. -Ghhrrrrggghh- Mijn cassettespeler zet zich hakkelend in werking. Voor dat ik vertrek nog even een lekker muziekje. Al jaren zit er nog maar één bandje in. Het enige wat ik nog bezit in dit digitale tijdperk. Het voorheen witte plastic is verkleurd en de tekst op de huls half vergaan. Het magnetische lint al meerdere malen ontward van knopen en vastlopers. Maar hij doet het nog steeds. De eerste krakerige tonen vullen mijn woonkamer met warme gitaarklanken.
“Aamaame, kjereme sin tie no pwedo bibieeeerr!” klinkt er vrolijk en melancholisch tegelijk. Ik krijg een instant goed gevoel. De nummers ken ik van voor naar achter en van links naar rechts. Alle teksten uit mijn hoofd. Ik zing luidkeels mee. Sinds die cursus Spaans van een paar jaar geleden weet ik eindelijk ook wát ze zingen.

Even terug in de tijd. Ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw. Mijn zusje en ik zitten op de achterbank van de auto. Route du Soleil. Richting Zuidfranse Contreien. Zomervakantie. De zwarte Aiwa Walkman maakt verhit overuren. Een splitter geeft voor ons twee ingangspunten, we pluggen beide onze koptelefoontjes in. Dezelfde klanken. Een puzzelboekje uit de enroute verrassingszakjes van oma. Gevuld met snoep en kleine presentjes. Om de lange reis te overbruggen. Twee dagen rijden. Kilometers vreten door de Benelux. Doel: kamperen in Frankrijk. De hele dag spelen in de buitenlucht, zwemmen en leuke dingen doen. Oude kloosters bezoeken en zwerven over geurige marktjes. IJs eten, chocoladebroodjes en Flan. Van mijn gespaarde zakcenten in Franse Francs voor het eerst een prulletje kopen en zelf afdingen. Spannend. Maar apetrots.

Op vele Franse dorpspleintjes verzamelen zich groepen Zuid Amerikanen. De muzikale nomaden. Ze installeren hun panfluiten en gitaren. Om voor wat authentieke live latinosfeer te zorgen. En terwijl mijn ouders een pintje pakken op een terras, onder de bladerden van de plataanbomen, staan wij - twee kleine hummeltjes- te swingen op de muziek van ‘De Mexicanen’. Fonetisch zingen we mee. Waarschijnlijk komen ze helemaal niet eens uit Mexico. Maar uit Peru, Bolivia of Ecuador. Elke Franse stad of dorp kende destijds wel een dergelijk bandje. Voor ons bleven het echter altijd DE Mexicanen. Nog steeds.

We kochten voor twintig Francs een cassettebandje met muziek van Palissandro. Over de Camino Real. Voor thuis. En op de achterbank, de komende jaren. We kennen het bandje inmiddels van haver tot gort. Grijs gedraaid. Letterlijk. Palissandro bleek een lokale eendagsvlieg. Nergens meer te vinden. Soms struin ik nog het internet af. Om te kijken of ze ergens anders dan in onze familie hun muzikale voetsporen hebben achtergelaten. Mijn zoektocht leidt al jaren tot niets.

Music with memories. Eigenlijk fout tot-en-met. Anderen zullen het slecht gecomponeerde jammermuziek vinden. Ik waarschijnlijk ook als ik het niet had gekend. Het bandje is inmiddels licht vals geworden van het vele afspelen. Maar het doet mij nog immer denken aan de fijne vakantietijd van vroeger.

-oOo-

Net terug uit Luxemburg. Vanavond een nachtje in mijn eigen bed, morgen naar Wenen (zonder zus), dinsdag Bordeaux, woensdag Trondheim. Daarna een weekje vrij. Even terugspoelen. Rewind. Ik druk nog één keer op ‘play’.

-”Amame, quiéreme,
sin tí no puedo vivir,
enamorado estoy de tí,
sin tus besos no vivo yo,
donde quiera que vayas tú,
mi corazón y mi alma iran…”-

029 Mentaal niet bij te houden

 

(19.04 uur aan de vooravond van een vroege dienst naar Hamburg en Kristiansand)

Een rare gewaarwording. Als je lichaam sneller reist  dan je geest kan bevatten. Als dat in de tijd betreft, noemen we dat een jetlag. Menigeen welbekend. Maar wat nou als het om een misbesef in plaats gaat? Dat je even niet meer weet waar je bent, of waar je lichaam geweest is?

-oOo-

Een jetlag kan worden ervaren bij het doorkruisen van een aantal verschillende tijdszones, na een lange vliegreis. Je innerlijke biologische klok raakt van slag. Het circadiane ritme (moeilijk woord!), dat je slaap- en waaktijd regelt op basis van licht en donker, wordt verstoord. Met de daaruit voortvloeiende slechte (kortere) nachtrust, veranderde eetlust, vermoeidheid en verlies van concentratie als gevolg. Een Transatlantische Kater. Op de kortere Europese vluchten die ik uitvoer zijn jetlags natuurlijk niet aan de orde. In Engeland is het één uur vroeger, in Rîga eentje later. Geen last.

De desoriëntatie in tijd die ik ervaar is louter omdat er soms belachelijk vroeg moet worden opgestaan. Maar dat doe ik mijzelf aan, niet de veranderde tijd. Want ook in Düsseldorfse tijd is het nog steeds holst van de nacht. Zoals jullie weten verlaat ik regelmatig mijn fijne bedje voor dag en dauw rond vier uur duisternis. Ontbijt om kwart voor vijf. Een half uur soezen in de taxi en om zes uur de passagiers boarden. Logischerwijs begint m’n maag dan ook rond een uur of tien flink te knorren voor een prelunch. En tijdens de middagse theetijd reeds onophoudelijk te smeken om avondeten. Door de opgebouwde slaapschuld (ik slaap altijd korter en slechter op vroege diensten) ben ik sneller vermoeid. Vechten tegen de knikkebol. Ruim twintig procent van de incidenten in de luchtvaart zijn gerelateerd aan vermoeidheid. Koppie erbij dus! Koffie erbij dus! Maar een rasechte jetlag komt in mijn boekje (nog) niet voor.

Wel heb ik regelmatig last van de ‘geen benul’ in plaats. Andere reislustigen zullen dat vast herkennen. Je weet even niet meer waar je allemaal geweest bent. Elke week heb ik wel een dag waarop ik fysiek aanwezig ben in vier verschillende landen. Vorige week bijvoorbeeld nog. Op één dag in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Noorwegen. De dag daarop ook nog in België en Oostenrijk. Met een paar dagen achtereenvolgende arbeid kan die lijst flink oplopen. Mentaal soms niet bij te houden. Het is dan ook niet gek dat ik af en toe niet weet waar ik uithang of -gehangen heb. Het is wel eens gebeurd dat ik na de landing in Hamburg tijdens mijn speech ‘welkom in Bristol’ heb gezegd, terwijl we toch echt in Duitsland waren. Bij het uitchecken op Schiphol worden we wel eens extra gecontroleerd op geïmporteerde goederen, dan gepaard gaande met de vraag waar je vandaan komt. Waar ik vannacht heb overnacht? Geen flauw idee. Ik moet daar vaak serieus over nadenken, wat wel eens argwaan wil opwekken bij de douanebeambten. ”Sorry! Maar na het croissantje in Toulouse heb ik al weer drie vluchten gedaan, nummer twaalf, dertien en veertien van deze week. Ik laat u graag de inhoud van mijn koffer zien…”

Zou er al een naam voor bestaan? Dat onbenul in plaats. Plonbenul misschien? Ik kon het niet vinden. Wat dachten jullie anders van: Stadsabuis? Of misschien moet het iets Engels zijn; Townblank? Citygap?  Ik wil het graag het publiek vragen. Pakt u de stemkastjes er maar vast bij.

Zaterdagavond. Morgen gaat mijn wekker weer om vier uur. Ik moet op de een of andere manier slaap zien op te wekken. Over een uurtje moet ik eigenlijk al naar bed, wil ik de acht uur nog halen. Beker warme melk met honing. In mijn eigen bed. Niks per abuis. Dáár kan geen verwarring over bestaan…

028 Groningse molleboon

(21.32 uur, te Haarlem. Vanmiddag met een schorre stem afgestapt van de vlucht naar Hamburg. Een fikse keelontsteking. Schrijven is momenteel de enige verstaanbare manier van communiceren.)

Groningen. Ondanks dat ik al jaren in Haarlem woon blijft het ‘mijn’ stad. Toen ik met vliegen begon, ben ik verhuisd. Voor mijn werk moet ik binnen een uur op Schiphol kunnen zijn. Vanuit Grunn is dat gewoonweg onmogelijk. Een kleine twee uur, als je mazzel hebt.

Maar op mijn afkomst ben ik nog altijd trots. M’n crewkoffer is een ware mobiele ‘er gaat niets boven…’ promotie op wieltjes. Met een glimlach rol ik de Groningse vlag en de Martinitoren - in stickerversie - achter me aan. Op reis naar wereldwijde bestemmingen. Niet zelden is het een aanknopingspunt voor een praatje met collega’s of passagiers.

Ik ben een wereldburger geworden. Haast vaker weg dan thuis. Toch blijf ik terugkomen in het hoge Noorden. Bijna maandelijks stap ik in mijn auto, tweehonderdvijftien kilometer heen, en weer terug. Ik ken de stad. Vertrouwd, knus en bekend. Even struinen door de Folkinge. De klokken van d’Olle Grieze horen slaan. Terrasje pakken bij het Newscafé. En een stukje Povvert met bruine basterd eten bij oma. Dat zijn de momenten waar ik het voor doe. De momenten waarin ik mij nog even een molleboon* waan.

Het is stad waar ik opgroeide, studeerde en ook gewoond heb. Tweeduizenddrie begon dan ook met een speurtocht naar de perfecte kamer. Mijn eerste vlucht. Die uit het ouderlijk nest. Hospiteren. Da’s studentikoos voor: de te verhuren kamer komen bekijken. Samen met nog twintig andere gegadigden is het zaak om je van je beste kant te laten zien op twaalf vierkante meter. Een belletje als je het geworden bent, is de belofte; natuurlijk vooraf gegaan door een uitgebreid huisgenoten beraad. De eerste paar keren viste ik achter het net. Stiekem waren het ook plaatsen waar ik toch niet wilde wonen. In een afgeleefd achterkamertje. In een verre buitenwijk met uitzicht op een brandgang. Alleen bij zonsondergang een piepstraaltje licht. Een oproepje in het lokale Gezinsbode sufferdje moest uitkomst bieden. Veel reacties, waaronder een vrijgezelle ‘studentes zijn wel mijn ding’ man, een dame op leeftijd die graag samen wilde Rummikuppen en een notoire telefoonhijger. Maar ook de bewoners van Huize Bloemendal.

Nee, geen huis voor de oude van dagen. Maar een rasecht studentenhuis. Bewoond door een gemêleerd gezelschap. Vijf bollebozen, met allegaartje aan studierichtingen. Rechten, Biologie, Nederlands, Geneeskunde en ik, Psychologie. Van een van hen vermoed ik nog steeds dat hij in het geheim wietplanten kweekte onder zijn bed, maar dat terzijde. Er was een klik. En ik kwam door de keuringscommissie.

Mijn kamer was een van de kleinsten. Met uitzicht op de dakgoot en onder het schuine dak. Maar wel centraal gelegen en met het Noorderplantsoen als achtertuin. Keuken, toilet en douche gedeeld. Het schoonmaakrooster hing pontificaal maar reeds ver over datum in de gezamenlijke keuken. Men vond kennelijk dat een douche (in een betegelde inloopkast!) over een zelfreinigend vermogen beschikte. Je waste zich daar immers elke dag met water en zeep? Fruitvliegjes waren in de zomer vaste bewoners van het aangekoekte keukenservies. Als ik het beu was, kieperde ik het hele zooitje verschimmelde vaat in een vuilniszak en deponeerde het bij de desbetreffende viespeuk op zijn kamer. Een week later stond het er weer. En bij gebrek aan een degelijk afsluitend ventilatierooster in het toilet, was er een poster over het gat in de muur geplakt. Als je zat te plassen bij slecht weer, hoorde je de regendruppels er zachtjes op tikken. Waar was ik in hemelsnaam in verzeild geraakt?

Deze sporadische ontnuchteringen hoorden erbij. Want voornamelijk herinner ik me natuurlijk de leuke zaken. De gezellige etentjes met vrienden, huis- en studiegenootjes. Een kookploeg en een afwasploeg. Een grote pan vol goedkope pasta en iedereen kan komen opscheppen. De bezoekjes aan piekuur cafés, met een steevaste kansloze apotheose in de dagkriekende uurtjes van de  Blauwe Engel. Zo ben ik in de KEIweek nog eens een keer wakker geworden op een Turfsingelse studentenwoonboot van zojuist gemaakte vrienden. Ontbijten met een kater en chips van de avond ervoor.

Studeren aan de universiteit bestond voornamelijk uit colleges volgen, in de grote Offerhauszaal van het Academiegebouw. Op - hoe kan het ook anders – houtkontbankjes. Met koffie uit de automaat. Om daarna boeken te verslinden; voornamelijk in het Engels. In het eerste studiejaar kon ik mijn brein er soms wekenlang over breken. Waarna ik de dag voor het tentamen radeloos tot de conclusie kwam dat ik nog 300 pagina’s moest. Hellup! Maar al doende leerde ik. En na verloop van tijd kon ik in een weekend voorafgaande aan de toets wel een heel boek vestouwen. Totale afzondering. Een flinke zak drop en een pot koffie erbij. Me ingraven onder tig stapels volgeschreven vellen met theorieën en berekeningen. Maar na afloop wél mooi die punten in m’n zak steken. Op een blauwe maandag volgde ik zelfs nog een vak aan de faculteit Sterrenkunde. Het Evoluerend Heelal. Over het ontstaan van sterren, planeten en oneindig verre melkwegstelsels. Ik sloot het wonderbaarlijk genoeg af met een negen. Zou er een astronoom in mij verloren zijn gegaan…?
De vier jaren inspanning en afzien werden uiteindelijk verenigd in het papiertje dat ik heb mogen behalen. En in de vele mappen, ordners, uittreksels, boeken en aantekeningen. Ik vond ze laatst nog in oude verhuisdozen op zolder - tussen de kampeerspullen - in de veronderstelling dat ik het ooit nog weer zou lezen. Niet echt.

De kennis zit in mijn hoofd (vooruit, nog een beetje dan). En de stad nog steeds in mijn hart.

Er gaat niets boven Groningen. Oh jawel, ik, zo nu en dan. Als ik hoog in de lucht onderweg ben naar Scandinavië.

*Mollebonen zijn een Groningse lekkernij, maar ook een bijnaam voor de inwoners van de stad Groningen

026 Peentjes zweten

(16.10 uur, stand-by thuis te Haarlem)

Je zit er misschien wel helemaal niet meer op te wachten. Een impressie van mijn middag en avond op het Museumplein. Je wilt wat er gisteren gebeurde misschien wel het liefst zo snel mogelijk vergeten, verstoppen of zelfs ontkennen dat het überhaupt heeft plaatsgevonden. In dat geval moet je maar gauw ophouden met lezen. Want dat is toch waar dit stukje over gaat.

-oOo-

Het begon zaterdagmiddag. Met het last-minute scoren van een oranjeshirt. En denk je dat dat makkelijk is? Nee natuurlijk niet! Alle oranje rommel was overal uitverkocht, op nog wat harige oranje beenwarmers (met deze temperaturen!) en wat maat extra large bungalowtent shirts na. Gelukkig vond ik een achteraf winkeltje dat nog niet ten prooi was gevallen aan de oranje plundering. Een dandy witte polo met oranje kraag zou mijn outfit worden.

Met de trein van Haarlem naar Amsterdam CS met de tram naar het Museumplein. Hier gaat het gebeuren. Er zijn enorme schermen opgehangen aan hoge metalen zuilen. Het lijkt alsof we allemaal deelgenoot zijn van een geheim genootschap. Mensen in oranje uitdossing voelen onmiddellijk een band. Wie oranje draagt hoort erbij. Of je nu uit Duitsland, Engeland of Australië komt. Kleur verbroedert. Nederlands spreken is geen vereiste. Schilder de rootwitblauwe driekleur op je wang en je bent gegarandeerd van de eensgezinde saamhorigheid. Dat je feestknallers als “Nederland oh Nederland - Jij bent de Kampioen – Wij houden van oranje” playbackt als een foute Neil Diamond imitator op een cruiseschip, geeft helemaal niks. Blazen op je vuvuzelaatje behoeft geen taal. Ik voel me bij nader inzien wel wat doorsnee vergeleken met de knotsgekke kostuums van anderen. Hoe idioter, des te cooler, lijkt het wel. Ik kijk mijn ogen uit. De dag is nu al geslaagd en ik heb nog geeneens voetbal gezien. Toppunt: hoofddeksel in de vorm van een oranje uilskuiken.

De sfeer zit er reeds vroeg in de middag al goed in. DJ’s draaien hoempapa hotseklotsmuziek. Mensen dansen, zingen en chillen maximaal op opblaasbare banken of gewoon in het groene gras, dat prachtig afsteekt tegen al dat oranje. Vanuit helikopters dalen tienduizenden oranje gerbera’s op ons neer. Hoe dichter de aftrap van de wedstrijd nabij komt, des te drukker het wordt, maar ook: des te aangeschotener sommigen worden. Blootgebaste jongemannen hossen luidkeels zingend in het rond met zojuist geopende bierblikjes. Gevolg: een bierdouche voor de menigte die zich er in een straal van minimaal 6 meter omheen bevindt.

Voor het bijwonen dergelijke publieke bijeenkomsten zijn er eigenlijk twee dingen noodszakelijk: lang zijn en man zijn.

Lang zijn spreekt voor zich. Ik spendeerde het grootste deel van de avond aan nekstrekken langs Hollandse reuzen en wijdse krullenbollen om nog een glimps op te vangen van wat er op het scherm te zien viel. Een meisje wordt op de schouders van een vriend gehesen, maar belemmert zo het zicht voor tientallen fans. Er wordt geschreeuwd, geknakte vuvuzela’s en plastic glazen vliegen haar om de oren om haar naar beneden te manen. (Hang die schermen dan ook wat hoger).

Man zijn: omdat staand plassen me een heerlijke snelle verademing lijkt (en kom nou niet aanzetten met die plastuit voor vrouwen…). Wij zijn gedoemd tot de  openbare wcpapierloze Dixietoilethokjes. Een sterkte maag is vereist, want ze zijn al na een paar uur te ranzig voor woorden. Meer details zal ik jullie besparen.

(…)

Kwart over elf. Bijzonder toch hoe zo’n lullig wedstrijdje (oei kan ik dat wel veilig opschrijven?) zoveel vaderlandse teleurstelling ontketent. Tuurlijk is het jammer dat ‘we’ niet gewonnen hebben. Het was regelmatig even bloedstollend spannend.  Maar het is en blijft een spelletje (wel eentje die voor de spelers heel goed betaalt overigens). Henny Huisman zong het al jaren geleden:

Hier stond je dan vanavond
Het was wel spannend
Maar toch ook fijn
Maar zoals bij elke wedstrijd
Kan er maar één de winnaar zijn
We laten ons niet kennen (nee)
We gaan gewoon maar door
Want wie niet tegen z’n verlies kan
Die is maar zielig hoor.

Toch zag ik hoe een pot voetbal kan leiden tot een krenking in de nationale trots, die menig liefhebber zich nog tot ver in de toekomst zal weten te herinneren. Ik zag stoere volwassen kerels die tot tranen toe geroerd waren. De schmink op hun wangen vervagende tot grillige vlekken. Er werd tegen lege flessen aangetrapt. Oranje druipt af. Een colonne van honderdduizend mensen loopt over straat en trambaan. Auto’s toeteren, maar de macht van de grote menigte dwingt ze tot stilstand. Trams stagneren midden op een kruispunt. Treinen zijn met beslagen ramen tot de nok toe gevuld. De saamhorigheid blijft. Er is in de benauwde coupés zelfs ruimte voor ironische grappen over het verlies. Ondertussen zweten we peentjes. En tellen we de haltes af. Tot we er uit mogen. Oranje af. Ieder gaat weer zijn eigen weg.

Momenteel stand-by tot vanavond zeven uur. Mijn oranjeshirt ligt al weer netjes schoon en gestreken in de kast. Voor de volgende keer.

De komende dagen naar Toulouse, Bristol en Nice.